
Sign up to save your podcasts
Or


Door haar eigen schuld is de bruid de Bruidegom kwijt, althans in haar ervaringsleven. Ze heeft Hem afgewezen in Zijn liefde, terwijl Hij bij haar voor de deur stond en klopte om binnengelaten te worden. Toen ze na verloop van de tijd alsnog de deur voor Hem opendeed, was Hij verdwenen. Nu zoekt ze Hem, in de nacht. De bruid van Hooglied 5 beseft heel goed dat ze het er zelf naar heeft gemaakt, maar dit houdt haar niet stil in een hoekje. Integendeel, ze gaat de straat op en zoekt Hem. Maar zij vindt Hem niet.
In de nacht ontmoet ze de dochters van Jeruzalem. Tegen hen vertelt ze over de Bruidegom. De vraag van de jonge vrouwen in de nacht heeft als functie om de bruid te brengen tot het besef hoe zij zich nu tot haar Bruidegom verhoudt. Zij bezingt Hem in Zijn schoonheid. Het is alsof dit lied de weg plaveit naar terugkeer tot Hem. In de taal die ze gebruikt ontdekt ze dat ze wel ver van Hem is, maar Hij niet ver van haar. Als gevolg daarvan ziet ze Hem weer zoals ze Hem eens zag. Wat verstorven was, komt nóg meer tot leven. Waar ze naar verlangde, wordt weer ervaring. Als gevolg van haar getuigenis over de Bruidegom, weet ze nu precies waar Hij is. Namelijk in Zijn tuin. Hij Die ver was, blijkt nabij.
In Hooglied 6 gaat het dan heel snel. Met dat ze beseft waar Hij is en wat Hij daar doet, treft ze zichzelf als het ware direct aan in Zijn armen. Dat is waar het in Hooglied 6: 3 over gaat. ‘Ik ben mijn Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt’. Dit is taal van liefdesomgang, ze weet zich veilig en geborgen bij Hem.
Opvallend is dat ze in Hooglied 2:16, in vergelijkbare omstandigheden, een andere volgorde van woorden koos. ‘Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën’. De levensles die ze in hoofdstuk 6 dieper begreep dan in hoofdstuk 2, is dat het werkelijk alleen de trouw van de Bruidegom is, die de grond onder hun liefdesomgang geeft. Was het eerst ‘ik en Christus’, later wellicht ‘Christus en ik’; nu is het ‘Christus alleen’. Het is eeuwige liefde, die Hém bewoog. Waar liefde tot Christus niet gevonden wordt, spreekt Paulus van vervloeking (1 Kor. 16: 22).
Het geloof spreekt niet in abstracties over Christus, niet over een geliefde die enkel op een afbeelding zichtbaar is. Nee, het spreekt van ‘mijn Liefste’. Dat duidt op omgangstaal. Zoals Paulus naderhand duidelijk maakt: met Christus geborgen in God.
De werkelijke identiteit van een christen ligt niet in onze maatschappelijke positie, evenmin in een bepaalde levensvisie. Het hart van het christelijk geloof klopt voor Christus. Dat is wat de Heilige Geest werkt in het hart; in Christus kennen we tevens de Vader.
By Ds. A.S. MiddelkoopDoor haar eigen schuld is de bruid de Bruidegom kwijt, althans in haar ervaringsleven. Ze heeft Hem afgewezen in Zijn liefde, terwijl Hij bij haar voor de deur stond en klopte om binnengelaten te worden. Toen ze na verloop van de tijd alsnog de deur voor Hem opendeed, was Hij verdwenen. Nu zoekt ze Hem, in de nacht. De bruid van Hooglied 5 beseft heel goed dat ze het er zelf naar heeft gemaakt, maar dit houdt haar niet stil in een hoekje. Integendeel, ze gaat de straat op en zoekt Hem. Maar zij vindt Hem niet.
In de nacht ontmoet ze de dochters van Jeruzalem. Tegen hen vertelt ze over de Bruidegom. De vraag van de jonge vrouwen in de nacht heeft als functie om de bruid te brengen tot het besef hoe zij zich nu tot haar Bruidegom verhoudt. Zij bezingt Hem in Zijn schoonheid. Het is alsof dit lied de weg plaveit naar terugkeer tot Hem. In de taal die ze gebruikt ontdekt ze dat ze wel ver van Hem is, maar Hij niet ver van haar. Als gevolg daarvan ziet ze Hem weer zoals ze Hem eens zag. Wat verstorven was, komt nóg meer tot leven. Waar ze naar verlangde, wordt weer ervaring. Als gevolg van haar getuigenis over de Bruidegom, weet ze nu precies waar Hij is. Namelijk in Zijn tuin. Hij Die ver was, blijkt nabij.
In Hooglied 6 gaat het dan heel snel. Met dat ze beseft waar Hij is en wat Hij daar doet, treft ze zichzelf als het ware direct aan in Zijn armen. Dat is waar het in Hooglied 6: 3 over gaat. ‘Ik ben mijn Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de leliën weidt’. Dit is taal van liefdesomgang, ze weet zich veilig en geborgen bij Hem.
Opvallend is dat ze in Hooglied 2:16, in vergelijkbare omstandigheden, een andere volgorde van woorden koos. ‘Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de leliën’. De levensles die ze in hoofdstuk 6 dieper begreep dan in hoofdstuk 2, is dat het werkelijk alleen de trouw van de Bruidegom is, die de grond onder hun liefdesomgang geeft. Was het eerst ‘ik en Christus’, later wellicht ‘Christus en ik’; nu is het ‘Christus alleen’. Het is eeuwige liefde, die Hém bewoog. Waar liefde tot Christus niet gevonden wordt, spreekt Paulus van vervloeking (1 Kor. 16: 22).
Het geloof spreekt niet in abstracties over Christus, niet over een geliefde die enkel op een afbeelding zichtbaar is. Nee, het spreekt van ‘mijn Liefste’. Dat duidt op omgangstaal. Zoals Paulus naderhand duidelijk maakt: met Christus geborgen in God.
De werkelijke identiteit van een christen ligt niet in onze maatschappelijke positie, evenmin in een bepaalde levensvisie. Het hart van het christelijk geloof klopt voor Christus. Dat is wat de Heilige Geest werkt in het hart; in Christus kennen we tevens de Vader.

46 Listeners

78 Listeners

32 Listeners

4 Listeners

10 Listeners