Vanaf de vroege dertiende eeuw was de bevolking in de streek onderverdeeld in huislieden en welgeborenen. Met de eerste groep werden de vrije en onvrije mensen bedoeld, terwijl de welgeborenen de vrije adel betrof. Naargelang de positie in de samenleving kende men verschillende rechten, plichten en functies. Zo waren de huislieden boer of hadden een ambacht en betaalden zij belastingen aan de vorst. De hoogste edele in het toenmalige Holland was de graaf, maar als welgeborene was hij zeker niet de enige.