
Sign up to save your podcasts
Or


Over de hele wereld probeert de katholieke kerk de harten van jongeren terug te winnen. In Brazilië worden daar influencers, dj’s en twee dansende en zingende nonnen voor ingezet.
Het is feest in het klooster. Een breakdancer die zich voorstelt als de Wizard doet backflips. Een andere tolt rond op zijn rug. Een rapper, spotlights, twee cameramensen en een blitse Chevy met een geluidsinstallatie in de kofferbak en de bas op vol volume. En in het middelpunt: twee nonnen die in Brazilië plotseling sterren zijn geworden, zuster Marizele Rego en zuster Marisa Neves, omringd door danseressen compleet met kruis, habijt en nonnenkap.
Ze maken een videoclip voor hun nieuwe nummer ‘Vocação’: ‘Roeping’. Dat is een internethit sinds zuster Marisa enkele weken geleden in een katholiek tv-programma een dansje deed terwijl zuster Marizele het aanstekelijke refrein aanhief en begon te beatboxen. Dat tv-fragment ging meteen de wereld rond en werd tien miljoen keer bekeken. Gevolgd door memes, imitaties en optredens in talkshows. Whoopi Goldberg sprak in het tv-programma The View van een ‘real life Sister Act’.
Dus staan ze nu op de binnenplaats van hun klooster te playbacken, in een poging hun kortstondige roem te verlengen met een videoclip. God liet ze viraal gaan om meer jongeren naar de kerk te trekken, zeggen ze, en ze willen zijn missie volvoeren. ‘Hoe kon iets zo eenvoudigs en spontaans ineens zo groot worden?’ zegt zuster Marizele, die als zingende non al honderdduizend Instagram-volgers had voordat ze een wereldwijde sensatie werd. ‘Omdat de Heilige Geest de harten van de mensen wil raken.’
‘En naast de Heilige Geest,’ zegt ze erbij, ‘is er ook nog het algoritme.’ Zuster Marizele (46) en zuster Marisa (41) vertegenwoordigen een bredere beweging die binnen de katholieke kerk de teugels wat wil vieren, spontaner wil zijn en jongeren wil aanspreken waar ze zitten: online. Ook in Brazilië, het grootste katholieke land ter wereld, raakt de kerk al jaren gelovigen kwijt. Volgens cijfers die de overheid deze maand vrijgaf, noemt nog geen 57 procent van de tweehonderd miljoen Brazilianen zichzelf nu katholiek, tegenover 83 procent dertig jaar geleden. Katholieke influencers, zangers en popgroepen doen hun best om dat tij te keren. Sommige Braziliaanse priesters, gespierde, knappe en muzikale mannen, hebben al tientallen miljoenen volgers op Instagram. Zoals pater Marcelo Rossi, een van de bestverkopende Braziliaanse artiesten aller tijden. En katholieke dj’s spelen tegenwoordig elektronische muziek op zogenaamde katholieke raves, zoals in januari bij het enorme Christusbeeld in Rio de Janeiro.
Dit streven ligt in het verlengde van de charismatische vernieuwingsbeweging en andere groeperingen die al tientallen jaren proberen de katholieke kerk toegankelijker en aantrekkelijker te maken, en dat nu ook in het digitale domein doen. Volgende maand vinden in Rome met steun van het Vaticaan nieuwe evenementen plaats om katholieke influencers bij elkaar te brengen en prijzen uit te reiken aan katholieke artiesten die al zijn omschreven als ‘de katholieke Grammy’s’. Maar behalve de nieuwe paus kreeg in juni enkele dagen lang waarschijnlijk niemand meer aandacht dan zuster Marizele en Marisa.
De twee nonnen zijn lid van Copiosa Redenção (Overvloedige Verlossing), een vijfendertig jaar oude congregatie van zo’n tachtig nonnen en vijfentwintig broeders die jonge drugsverslaafden helpen af te kicken, waarbij ze kunst en muziek vaak als middel inzetten. Deze maand werd er in een klooster van de congregatie in Zuid-Brazilië veel gelachen. Vooral door zuster Marizele en Marisa. ‘Heb je wel een levensverzekering?’ vroeg zuster Marizele terwijl ze plaatsnam achter het stuur. Toen de auto over een helling snelde – ze waren bijna te laat voor de mis – gilde zuster Marisa het uit alsof ze in een achtbaan zat.
Het zijn allebei dochters van maïs- en sojaboeren in de landbouwstaat Paraná, en ze zijn allebei opgegroeid in een huis vol muziek. Een van haar broers hoefde maar muziek op te zetten, zegt zuster Marisa, en zij en veel van haar tien broers en zussen stopten met het werk op de akker en begonnen te dansen. ‘Alles waar maar op gedanst kon worden,’ zegt ze. Nadat ze op haar drieëntwintigste in het klooster was gegaan, is ze blijven dansen en heeft ze hiphop- en breakdancelessen gevolgd. Later kreeg ze een positie bij een katholieke tv-zender waarvoor ze soms verslag deed van evenementen, en soms in beeld een dansje deed met een priester.
Zuster Marizele komt uit een familie van muzikanten. Haar grootvader bouwde gitaren en haar tantes zongen op de radio. Ze werd non op haar vijfentwintigste, nadat haar moeder door een wonder van kanker was genezen. Daarna zong ze geregeld op religieuze retraites en heeft ze met een aantal andere zusters een gospelalbum opgenomen.
De twee leerden elkaar kennen in 2007 en het was al snel duidelijk dat het klikte. ‘Je hoeft maar een beat te beginnen en zij begint te dansen,’ zegt zuster Marizele over zuster Marisa. Beatboxen heeft ze zichzelf geleerd, zodat ze de andere nonnen tijdens het zingen van ritme kon voorzien. ‘Ik begon gewoon ritmes te maken met mijn mond,’ zegt ze. ‘Ik wist niet eens dat zoiets beatboxen heet.’ Gaandeweg beseften ze dat beatboxen en hiphop iets is wat de jonge vrouwen in de afkickcentra aanspreekt. Die komen vaak van de straat en hebben weinig gemeen met de nonnen. ‘Het is een middel om contact te maken en muren te slechten,’ zegt zuster Marizele.
Vanwege die aantrekkingskracht werden zuster Marizele en Marisa door de congregatie aangewezen voor de werving van nieuwe nonnen, in een tijd waarin steeds minder vrouwen voor een leven in het klooster kiezen. Volgens het Center for Applied Research in the Apostolate, een non-profitorganisatie die onderzoek doet naar de katholieke kerk, is het aantal nonnen in de VS de afgelopen twintig jaar bijvoorbeeld met de helft gedaald tot circa 36.000. Het aantal priesters is in diezelfde periode met 18 procent gedaald tot 34.000.
Op 20 mei kwamen zuster Marizele en Marisa in een katholieke talkshow praten over een retraite waarmee ze nieuwe nonnen willen werven. Zuster Marizele begon daar ‘Vocação’ te zingen, een jaren geleden door haar congregatie geschreven lied over de roeping van de non. Maar ze had er een nieuwe hook aan toegevoegd: ‘Voc-a-çao, oh, ohh’. En zuster Marisa moest toen wel een dansje maken, zegt ze. Ze stonden op en zuster Marizele begon te beatboxen. Buiten beeld werd de diaken die hen interviewde door de regisseur aangespoord om mee te doen, zegt zuster Marisa, die de regieaanwijzingen in haar oortje kon horen. De diaken had het ritme al snel te pakken en volgde de passen van zuster Marisa op de voet. Dat moment, samengebald in een clipje van dertig seconden, bleek op internet goud waard. Volgens de data-analisten van Tubular is het alleen al op TikTok meer dan 34 miljoen keer bekeken. Al snel stroomden van heinde en ver de interviewverzoeken binnen.
De oudere nonnen in het klooster roken hun kans. Zuster Daniely Duarte Santos, hoofd communicatie van de congregatie, riep een collega terug van vakantie, en om de ontstane aandacht optimaal te benutten begonnen ze het filmpje herhaaldelijk op sociale netwerken te plaatsen. Binnen enkele dagen hadden al ruim vijftig vrouwen geïnformeerd naar de mogelijkheid om non te worden. Normaliter werven ze maar een handjevol nieuwe leden per jaar.
Ze schakelden een lokale dj in om een muziektrack te maken, en tussen de interviews door nam zuster Marizele de zangpartij op. Het resultaat, met bas en synthesizers en al, is volgens zuster Marizele ‘technopop’. Het nummer bestormde de Braziliaanse ranglijst van katholieke muziek op Spotify. Zuster Marizele en Marisa waren overal op tv te zien met hun beatbox en hun dansje. Ze maakten de clip, geregisseerd door zuster Daniely, met een headset onder haar nonnenkap. Op straat worden ze staande gehouden door fans die om een selfie vragen. ‘Wij vragen één weesgegroetje per foto,’ zegt zuster Marizele.
In een landbouwgebied waar de meeste gewassen voor de export zijn bedoeld, kiest een groeiend aantal boeren er nu voor om gewassen te verbouwen voor de lokale bevolking.
Dorothy Grady trekt aan een plukje groen dat de kop heeft opgestoken in een van de vele met aarde gevulde emmers op de oprit van haar huis. Er komt een stevige wortel tevoorschijn, van een centimeter of twaalf. Een stukje verderop groeit een saliestruik in een andere emmer, een lage kweekzak zit vol lente-uitjes.
Over een week of drie begint voor Grady het voorjaarsseizoen op het land dat ze bewerkt in en om Shelby, in Mississippi. Haar land omvat ook twee stukken grond bij de inmiddels gesloten school aan de overkant van de straat, een kleine boomgaard met perziken en peren even verderop in de straat, en nog twee hectare buiten de stad. Grady staat op het punt om aubergines, meloenen, tomaten en een scala aan andere gewassen te planten die uiteindelijk op het bord belanden van 127 mensen uit de buurt.
Shelby ligt een paar kilometer ten oosten van de Mississippi en is omgeven door vlakke, vruchtbare landbouwgrond. Maar Grady’s groenten en fruit behoren tot de weinige gewassen die bestemd zijn voor de plaatselijke bevolking. De overgrote meerderheid van de boeren in de Mississippi Delta is gespecialiseerd in handelsgewassen zoals soja en maïs.
Grady is een van de ongeveer tien lokale telers die leveren aan Delta GREENS, een gezamenlijk onderzoeksproject dat verse ingrediënten levert aan inwoners met diabetes in de counties Bolivar, Sunflower en Washington. Vervolgens worden de effecten op de gezondheid in kaart gebracht. Dit ‘voedsel is medicijn’-project is een van de initiatieven in deze westelijke regio van Mississippi om boeren te steunen en om de markt voor lokale producten te vergroten. Het mes snijdt aan twee kanten: de voedzame voedingsmiddelen komen binnen het bereik van de lokale bevolking én de kleinschalige boeren die ze verbouwen krijgen een steuntje in de rug.
‘Ons streven is een coöperatieve ontwikkeling tussen de verschillende landbouwbedrijven,’ zegt Julian Miller, oprichter en directeur van het Reuben V. Anderson Institute for Social Justice in Jackson. Miller is ook een van de belangrijke onderzoekers bij Delta GREENS, en hij maakt zich al sinds jaar en dag sterk voor lokaal voedsel in de Delta-regio. ‘Uiteindelijk willen we landbouwers de capaciteit bieden om op te schalen en een bredere markt aan te boren.’
De 300 kilometer lange Delta-regio, gelegen op de vruchtbare uiterwaarden tussen twee rivieren, de Mississippi en de Yazoo, heeft een rijke agrarische geschiedenis. Ooit stond het gebied bekend om de katoenteelt, maar tegenwoordig wordt het getekend door velden waar voren in zijn getrokken, waarin gewassen worden verbouwd die worden verwerkt tot diervoeding of ethanol.
‘Die traditie, om je eigen voedsel te verbouwen, is verloren gegaan’
In het verleden verbouwden veel inwoners van de Delta groente en fruit, zegt Miller, maar in de loop der tijd is die praktijk onder druk komen te staan door mechanisatie en een verlies aan landbouwgrond. Miller, een vijfdegeneratieinwoner van de Delta, die een paar kilometer van Shelby is opgegroeid, heeft nooit iemand gekend met een eigen moestuin. ‘Die traditie, om je eigen voedsel te verbouwen, is verloren gegaan.’
Ondanks een overvloed aan vruchtbaar land wordt maar een heel klein deel ervan gebruikt voor eetbare gewassen. Zo’n negentig procent van het voedsel dat hier in de regio wordt gegeten, wordt elders verbouwd en vervolgens geïmporteerd. ‘Dat is het schrijnende,’ zegt Miller.
Zelfs geïmporteerd vers voedsel is soms moeilijk te verkrijgen. Sinds 2021 staan 63 van de 82 counties in Mississippi te boek als zogeheten ‘voedselwoestijnen’, wat wil zeggen dat er in de directe omgeving geen winkel of andere mogelijkheid is om aan verse ingrediënten te komen.
Deze regio wordt gekenmerkt door grote verschillen in gezondheid en door een grote inkomensongelijkheid. In Bolivar, Sunflower en Washington – de counties waar het Delta GREENS’ onderzoek zich specifiek op richt – leeft bijna een derde van de inwoners op of onder de armoedegrens. Ondertussen komt er twee keer zo veel diabetes voor als het landelijk gemiddelde.
Deze combinatie van een grote economische ongelijkheid en aanzienlijke verschillen op het gebied van gezondheid, en daarnaast ook nog eens een gebrek aan voedselsoevereiniteit, is de motor geweest achter de pogingen om de traditie van het voedsel verbouwen weer in ere te herstellen, onder aanvoering van telers zoals Grady. Grady, een kind van pachters, herinnert zich dat haar ouders altijd een moestuintje hadden en dat er groente en fruit werd geruild met buren. Ze is al betrokken bij het uitbouwen van de lokale voedselbeweging in de Delta sinds de jaren 1990, toen ze begon met schooltuinprojecten.
Niet alleen heeft ze geholpen om honderden moestuintjes op te zetten voor scholen en kerken in de wijde omgeving, ze heeft bovendien haar eigen landbouwproject uitgebouwd, en inmiddels gaat haar oogst naar de mensen die in en om Bolivar County wonen. Vorig jaar hebben haar perzik- en perenbomen zo’n 900 kilo fruit opgebracht, wat naar plaatselijke scholen is gegaan en via groente- en fruitpakketten is gedistribueerd onder deelnemers aan het Delta GREENS-onderzoek.
Deze wekelijkse groentepakketten zijn een middel om een van de structurele problemen te ondervangen bij het ontwikkelen van een lokaal voedselsysteem, legt Miller uit: het ontbreken van een structurele markt. Hoewel veel mensen graag meer lokale producten willen eten, hebben telers geen betrouwbare distributielijnen om hun producten bij de mensen te krijgen. Maar met voedsel- en voedselveiligheidsprojecten, die producten betrekken van lokale boeren, worden deze bedrijfjes nu geholpen om op te schalen.
Het verbouwen van groente en fruit is ingewikkelder dan het telen van handelsgewassen, legt Pollard uit
Zo’n zestig kilometer ten noordoosten van Shelby is Robbie Pollard druk in de weer met het planten en verzorgen van meer dan vier hectare groente- en fruitgewassen.
Pollard is opgegroeid met het telen van gewassen – zijn opa verbouwde handelsgewassen. Maar naar eigen zeggen wist hij maar weinig van het verbouwen van voedsel totdat hij het zelf ging proberen, in zijn achtertuin. Het bleek een roeping te zijn, zegt hij, en al snel zegde hij zijn baan in de IT op om zich er fulltime op te richten.
Het verbouwen van groente en fruit is ingewikkelder dan het telen van handelsgewassen, legt Pollard uit. Om te beginnen is het arbeidsintensiever – met de hand wieden, verzorgen en oogsten. Handelsgewassen kunnen vaak direct bij de lokale groothandel worden afgeleverd, maar met groente en fruit ligt dat ingewikkelder. Zoals Pollard zegt: ‘Wij moeten zelf op zoek gaan naar onze markten.’
Pollard heeft verschillende manieren gevonden om zijn producten te distribueren via zijn boerderij, Start 2 Finish, en via zijn daaraan gelinkte gezondheidsvoedingsinitiatief Happy Foods project. Momenteel is hij een van de belangrijkste telers die leveren aan Delta GREENS, en daarnaast levert hij aan vergelijkbare projecten die huishoudens op regelmatige basis voorzien van pakketten met lokale producten. Hij levert ook aan Northern Mississippi FoodRx, weer een ander voedselproject, in samenwerking met de University of Mississippi. Deze zomer gaat hij ook voedsel distribueren via een mobiele markt, en onlangs is hij begonnen met de verkoop via een net geopende supermarkt in Clarksdale, die zich sterk richt op lokale producten.
De groente- en fruitpakketten bieden hem de mogelijkheid zijn boerderij geleidelijk uit te bouwen door jaarlijks te investeren in kleine verbeteringen. Zo deed hij in het begin alles met de hand, later met een grondfrees en inmiddels met een kleine tractor. Hij pacht nu twintig hectare landbouwgrond. Vorig jaar heeft hij twee hectare verbouwd. Dit seizoen heeft hij meer dan vier hectare ingezaaid, en hij heeft plannen om de hydro- en aquaponic-capaciteit uit te breiden. Hij hoopt binnenkort een samenwerking aan te gaan met andere lokale telers om in het hele gebied een aantal verschillende technieken uit te proberen.
Tyler Yarbrough, projectmanager van het Mississippi Delta-project voor de landelijke organisatie Partnership for a Healthier America, heeft samen met Pollard aan verschillende projecten gewerkt om de lokale voedselbeweging in de regio te versterken. Een van die projecten betrof het gedurende een beperkte tijd leveren van producten aan lokale huishoudens – zoals Good Food at Home, dat zo’n 500.000 wekelijkse groente- en fruitpakketten heeft geleverd aan gezinnen in de omgeving, waarbij elk huishouden in aanmerking kwam voor twaalf weken. Via dit soort kortlopende projecten kunnen telers stappen zetten naar een stabielere bedrijfsvoering, terwijl bij de consument de vraag naar lokale producten wordt gestimuleerd.
‘Je kunt het gebruiken om de consistentie te vergroten en om die markten dichter naar je toe te halen,’ aldus Yarbrough.
‘Het gaat erom dat je alle lijntjes in de markt met elkaar verbindt, het moet een holistische benadering zijn’
Hoewel de groente- en fruitpakketten een succes zijn, leveren ze de boeren het meeste op als ze worden gecombineerd met andere initiatieven, zegt Yarbrough. Het is cruciaal om de telers flexibiliteit te bieden wat betreft de financiering zodat ze alles in de loop der tijd kunnen uitbouwen.
‘Het kan niet alleen maar één ding zijn,’ zegt Yarbrough. ‘Je moet het koppelen aan financiering zodat deze boeren ook echt de capaciteit van hun bedrijf kunnen vergroten. Het gaat erom dat je alle lijntjes in de markt met elkaar verbindt, het moet een holistische benadering zijn.’
Binnen de Delta-regio staat de lokale voedselbeweging nog voor veel uitdagingen, aldus Natalie Minton, een onderzoekster die is verbonden aan de University of Mississippi en die samen met Pollard de lokale voedselmarkt bestudeert. Ook werkt ze voor North Mississippi Food Rx. Telers hebben moeite om arbeiders te vinden – en te betalen. En zonder betrouwbare markt is het heel moeilijk om het bedrijf uit te bouwen.
Ook omgevingsfactoren spelen een rol. Nog los van het extreme weer, zoals droogte en zware stormen, krijgen ze te maken met problemen die zijn gerelateerd aan het dominante handelsgewas. Voor de handelsgewassen wordt stelselmatig gebruikgemaakt van pesticiden en chemicaliën, die schadelijk zijn voor de voedselgewassen.
Maar toch, zegt Minton, zie je dat veranderingen in het lokale voedselsysteem voet aan de grond krijgen. Het succes van boeren als Pollard laat zien dat specialistisch telen een levensvatbare toekomst kan bieden.
Voor projecten die afhankelijk zijn van beurzen en financiering van buitenaf is er nog een grote uitdaging bij het werken met federale programma’s, zegt Miller. Lokale voedselsystemen staan zwaar onder druk nu Trump diep heeft gesneden in de overheidsuitgaven, waaronder ook subsidies om het kopen van lokale producten te bevorderen. Delta GREENS wordt gefinancierd door de National Institutes of Health, en volgens Miller is het onzeker of die steun gecontinueerd zal worden.
Ondanks alle onzekerheid is de lokale voedselindustrie in de Mississippi Delta uniek omdat het allemaal lokaal wordt aangestuurd, zegt Marlene Manzo van HEAL Food Alliance, een voedselrechtvaardigheidscoalitie die werkt met groepen uit het hele land, waaronder Mississippi Fresh. Volgens Manzo toont de groei van de lokale voedselvoorziening in de Mississippi Delta de kracht van initiatieven op kleine schaal, die veranderingen in gang kunnen zetten die echt aansluiten bij de gemeenschap.
‘Wat in ieder geval duidelijk is, is dat het genereren van collectieve kracht binnen onze gemeenschappen en binnen regionale systemen echt van wezenlijke, blijvende invloed kan zijn,’ zegt ze.
Grady bespeurt een verschuiving binnen de gemeenschap. Ze kent steeds meer mensen, onder wie ook familieleden, die zelf voedsel gaan verbouwen. Een voormalige student is nu kok op een school in de buurt. Hij heeft een moestuin en gebruikt wat hij verbouwt in de schoolkeuken.
‘Dat andere mensen nu ook dit soort dingen gaan doen is de mooist denkbare beloning,’ zegt ze.
Trump zou willen dat de Pax Americana door de rest van de wereld met heffingen wordt gecompenseerd, zodat hij voor altijd van zijn tekorten af is. Het probleem is alleen dat zijn macht al tanende is en dat we ons moeten voorbereiden op een wereld zonder de VS, legt Piketty uit in zijn column.
De VS zijn geen betrouwbaar land meer. Voor sommigen is dat oud nieuws. De oorlog in Irak in 2003, waarbij meer dan honderdduizend doden vielen, een regio blijvend werd gedestabiliseerd en Rusland zijn invloed herwon, confronteerde de wereld al met de kwalijke gevolgen van de Amerikaanse militaire overmoed. De huidige crisis is echter van een andere orde. Momenteel worden de economische, financiële en politieke machtsstructuren van een ontredderd land ter discussie gesteld, geleid door een onstabiele en grillige leider tegen wie geen democratisch kruid gewassen is.
Om te bedenken hoe dit verder gaat, moeten we ons bewust zijn van de veranderingen die momenteel plaatsvinden. Dat de Trump-aanhangers zo’n bruut en wanhopig beleid voeren, komt doordat ze niet weten hoe ze moeten reageren op de economische verzwakking van het land. Uitgedrukt in koopkrachtpariteit – dat wil zeggen in reële hoeveelheid goederen, diensten en uitrusting die jaarlijks wordt geproduceerd – heeft het bbp van China dat van de VS al in 2016 overtroffen. Het ligt momenteel meer dan 30 procent hoger en zal tegen 2035 het dubbele bedragen van het Amerikaanse bbp. De realiteit is dat de Verenigde Staten de controle over de wereld aan het verliezen zijn.
Sterker nog, de opeenhoping van Amerikaanse handelstekorten heeft ertoe geleid dat de externe publieke en private schuld van het land dit jaar een ongekende hoogte heeft bereikt van 70 procent van het bbp. Stijgende rentetarieven zouden de VS kunnen dwingen tot aanzienlijke rentebetalingen aan de rest van de wereld, waaraan ze tot dusver enkel zijn ontkomen doordat ze de touwtjes van het mondiale financiële systeem in handen hebben. In dat licht moeten we dan ook het taboedoorbrekende voorstel van de trumpistische economen zien om belasting te heffen op de rente die wordt uitbetaald aan buitenlandse houders van Amerikaanse staatsobligaties. Alsof dat nog niet genoeg is wil Trump zijn land erbovenop helpen door zich Oekraïense mineralen toe te eigenen – en Groenland en Panama op de koop toe.
‘Trump is in feite niets meer dan een gedwarsboomde koloniale machthebber’
Vanuit historisch oogpunt bezien is het opmerkelijk dat het enorme Amerikaanse handelstekort, dat tussen 1995 en 2025 jaarlijks gemiddeld zo’n 3 tot 4 procent van het bbp bedroeg, maar één precedent kent voor een economie van een dergelijke omvang: het is ongeveer het gemiddelde handelstekort van de grote Europese koloniale machten (het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Nederland) tussen 1880 en 1914. Het verschil is dat deze landen over enorme buitenlandse activa beschikten, die zoveel rente en dividenden opleverden dat ze hun handelstekort ruimschoots konden financieren, terwijl ze tegelijkertijd hun buitenlandse vorderingen konden blijven uitbreiden.
Trump is in feite niets meer dan een gedwarsboomde koloniale machthebber. Hij wil dat de Pax Americana, net als die van Europa in het verleden, door de rest van de wereld dankbaar met subsidies wordt gecompenseerd, zodat hij voor altijd van zijn tekorten af is. Het probleem is alleen dat de macht van de VS al tanende is en dat de tijd zich niet langer leent voor deze brute en ongebreidelde vorm van kolonialisme. Trump lijkt niet te beseffen dat de Verenigde Staten in 1945 wereldleider zijn geworden dankzij de breuk met de Europese koloniale orde en de invoering van een ander ontwikkelingsmodel, gebaseerd op het democratische ideaal en een aanzienlijke onderwijskundige voorsprong op de rest van de wereld. Daarmee ondermijnt hij het morele en politieke prestige waarop dat wereldleiderschap is gebouwd.
Een nieuwe Europese economieHoe moet Europa op deze teloorgang reageren? Allereerst door zich op de zuidelijke landen te richten met het voorstel tot een nieuw sociaal en ecologisch multilateralisme te komen ter vervanging van het liberale multilateralisme, dat ten dode is opgeschreven. Europa moet zich eindelijk achter een ingrijpende bestuurshervorming van het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank scharen, zodat kan worden afgestapt van het huidige censuskiesrecht en landen als Brazilië, India en Zuid-Afrika de plaats krijgen die ze toekomt. Als Europa de kant van de VS blijft kiezen in een poging dit onomkeerbare proces te stoppen, zullen de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) onvermijdelijk een parallelle internationale architectuur opbouwen, onder leiding van China en Rusland.
Als Sub-Saharaans Afrika de afgelopen decennia van betere handelsvoorwaarden had kunnen profiteren, had het kunnen investeren in infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. In plaats daarvan behelpen de regeringen daar zich manmoedig met een schrijnend gebrek aan middelen: amper tweehonderd euro per jaar, uitgedrukt in koopkrachtpariteit, voor een leerling in het lager en middelbaar onderwijs, terwijl elk kind in het Noorden op veertig tot vijftig keer meer kan rekenen (achtduizend euro in Europa, tienduizend in de VS).
Ook heeft Europa in 2024 een ernstige fout gemaakt door zich te verzetten tegen het voorstel voor fiscale rechtvaardigheid dat Brazilië bij de G20 had ingediend en door tegen een raamwerkverdrag voor eerlijke belastingheffing binnen de VN te stemmen, wederom samen met de Verenigde Staten, zodat de OESO en de kring van rijke landen de controle konden houden over kwesties die als te belangrijk werden beschouwd om aan armere landen over te laten.
‘Europa moet eindelijk zijn rol in het wereldwijde gebrek aan handelsevenwicht erkennen’
Europa moet eindelijk zijn rol in het wereldwijde gebrek aan handelsevenwicht erkennen. Het is gemakkelijk om kritiek te uiten op de objectief buitensporige handelsoverschotten van China, dat – net als het Westen destijds – zijn machtspositie benut om lage prijzen te bedingen voor grondstoffen en de wereld te overspoelen met industriële goederen. Toch profiteert de Chinese bevolking hier nauwelijks van; zij zou meer gebaat zijn bij hogere lonen en een degelijke sociale zekerheid.
Ook Europa neigt in feite naar onderbesteding en onderconsumptie binnen zijn eigen grenzen. Tussen 2014 en 2024 kende de Verenigde Staten een gemiddeld jaarlijks handelstekort (goederen en diensten) van ongeveer 800 miljard dollar. In dezelfde periode boekte Europa een gemiddeld overschot van 350 miljard dollar – bijna evenveel als China, Japan, Zuid-Korea en Taiwan samen (450 miljard). Wil Europa daadwerkelijk bijdragen aan een sociaal en ecologisch rechtvaardiger ontwikkelingsmodel, dan zal er veel meer nodig zijn dan de extra militair-budgettaire investeringen van Duitsland of de minimale CO₂-grensheffingen die momenteel worden overwogen.
Ons politiek nihilisme is de vrucht van de verpletterende verveling en geestelijke leegte van onze moderne maatschappij. Burgers weten zich geen raad met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht.
Stel dat Schopenhauer gelijk heeft en het leven één voortdurende slingerbeweging is tussen pijn en verveling. De enorme materiële overvloed van de rijke geïndustrialiseerde samenleving heeft weliswaar een pijnstillende werking (er is simpelweg minder fysieke pijn dan vroeger, toen we nog geen fluoride, geen anesthesie en geen zittend leven hadden), maar de oplossing van het ene probleem lijkt het andere alleen maar te verergeren. In plaats van pijn lijden we nu aan verveling, dé kenmerkende gemoedstoestand van het moderne leven. Die verveling is een direct gevolg van overvloed: een onuitputtelijke stroom ‘videocontent’ of chocoladetaart of eender wat voor snoepgoed en verwennerij kan geen blijvende voldoening geven. Op den duur krijg je overal een keer genoeg van, en dan moet je op zoek naar je volgende kick.
Volgens Schopenhauer komt verveling voort uit ‘botheid van geest’, uit de ‘innerlijke leegte’ die een mens doet ‘smachten naar prikkels van buitenaf’, naar alles wat afleiding schenkt en de tijd kan doden. Een man die in weelde baadt maar niet beschikt over de intellectuele gaven om verveling uit te bannen ‘zou beter af zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven’. Is het toeval dat zo veel jonge miljardairs in een gênante midlifecrisis belanden? Het probleem met ‘het bezit van vrije tijd’ is dat die tijd soms meer als een last dan als een geschenk gaat voelen, zowel voor de bezitter als voor de samenleving. Vrije tijd ‘brengt gevaren met zich mee’.
Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit. Vandaar dat de Romeinen hun stadsbevolking voorzagen van brood én spelen. Vandaar dat de protestantse hervormers zo’n felle strijd voerden tegen ledigheid, om te voorkomen dat de armen ten prooi vielen aan de verlokkingen van de duivel. Maar materiële vooruitgang brengt altijd een potentieel teveel aan vrije tijd met zich mee. ‘Minstens even belangrijk als het grote probleem van werk’, schreef de Amerikaanse filosoof Alfred H. Lloyd in de jaren twintig van de vorige eeuw, is een probleem dat ‘om nadere beschouwing schreeuwt en iedereen opvalt die er de ogen voor opent en ze er niet koppig voor gesloten houdt: het probleem van de vrije tijd’. Vrije tijd kan een bedreiging voor de maatschappelijke orde vormen als mensen niet in staat zijn hun besteding ervan in goede banen te leiden. Daarom was John Dewey ook van mening dat een ‘waarlijk democratische samenleving’ in de moderne tijd ook een ‘zinvolle vrijetijdsbesteding voor iedereen’ moet garanderen.
‘Overtollige mensen met overtollige tijd zijn zelden een recept voor maatschappelijke stabiliteit’
Conservatieve critici hebben dat ideaal altijd afgedaan als luchtfietserij. ‘Het is bespottelijk om te denken dat als mensen maar vijftien of twintig uur per week werken, ze in hun vrije tijd in de weer zullen gaan met een brok marmer of een partituur’, schrijft Richard Posner. ‘Als ze geen consumptiegoederen en diensten hadden om hun tijd mee te vullen, zouden ze vechten, stelen, te veel eten en drinken en uitslapen.’ Los van de maatschappelijke functie van werk is het ook een noodzakelijk kwaad. Zonder zo’n overloopvat om de tomeloze hartstocht en de overtollige energie van mensen op te vangen zou de beschaving snel tot barbarij vervallen.
Weinig standpunten zijn zo lang en zo consequent door de elite gehuldigd, en dat is niet zo gek. In de satirische middeleeuwse boerenutopie Luilekkerland of Cocagne, een land ‘sonder arbeit ende sonder pijn’, kon je met een uur slapen een stuiver verdienen en met drie keer boeren ‘oft eenen harden scheet te laten’ een hele daalder. In het Amerikaanse volksliedje Big Rock Candy Mountains wordt gejubeld dat ‘they hung the jerk that invented work’ en ‘little streams of alcohol come a-trickling down the rocks’. Toen in Groot-Brittannië de industrialisatie goed op gang kwam, was het aantal nationale feestdagen door de autoriteiten in 1834 van zeventien teruggebracht naar vier. Vrije dagen verleidden de mensen immers maar tot allerhande zedeloos gedrag, variërend van volkssporten als ‘hanenwerpen’ tot liederlijke dronkenschap. Zoals ook duidelijk geïllustreerd werd door de onuitroeibare traditie van ‘Blauwe Maandag’, of ‘Sint Maandag’ in het Engelse taalgebied, de dag waarop arbeiders met een weekendkater hun werk verzuimden.
Deze arbeiders beschikten niet over de financiële armslag van de rijke man die volgens Schopenhauer beter af zou zijn als de armoede hem wat te doen had gegeven, maar ook hun vrije tijd bracht gevaren met zich mee. Of het onvermogen om de vrije tijd nuttig te besteden nu leidde tot verveling en geestelijke leegte onder de rijken of tot driftige buien van genotsbevrediging onder het ‘klootjesvolk’, de wortel van het probleem is dezelfde. Te veel vrije tijd, te veel verveling maakt mensen licht vatbaar voor oplichters, volksmenners en hun eigen lage driften.
De zoektocht naar identiteitIn de ruim tien jaar dat ik nu schrijf en nadenk over werk en de opofferingskosten daarvan in de moderne tijd, heb ik het ‘probleem van de vrije tijd’ meestal alleen terloops aangestipt, vooral omdat ik hoopte dat het wel oplosbaar is. Maar de huidige politieke situatie in de Verenigde Staten (en in sommige andere geïndustrialiseerde democratieën) vraagt om nadere bezinning en kan niet volledig worden begrepen zonder het probleem van verkeerd bestede vrije tijd mee te wegen. Niet alleen is het aantal gewerkte uren gaandeweg steeds verder gedaald, maar het meeste werk (al die ‘niet-onmisbare’ functies) kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger. Uit een peiling van Gallup blijkt dat ‘werknemers in de VS zich steeds minder verbonden voelen met hun werkgever, lagere verwachtingen koesteren, minder voldoening putten uit hun organisatie en minder voeling hebben met de missie en doelstellingen daarvan’.
Die trends onderstrepen hoe belangrijk het is dat vrije tijd voorziet in alle behoeften en verlangens die maken dat wij mensen zijn en niet slechts ‘aangeklede apen’, zoals C.S. Lewis het noemde. Maar het is geen geheim wat de meeste mensen met hun vrije tijd doen. Verslavende, sensatiebeluste en onbenullige media en amusementsvormen zijn doorgedrongen in alle uithoeken van het leven in de eenentwintigste eeuw, tot de werkvloer aan toe. Veel van dat amusement speelt natuurlijk in op de essentiële behoefte van de moderne mens: het blijvende verlangen naar iets wat ontzag en verwondering inboezemt, naar een gevoel van stralende genade, de ervaring van het sublieme in een onttoverde wereld.
‘het meeste werk […] kan mensen ook niet meer zo veel zingeving verschaffen als vroeger’
Waar we nu mee kampen, zijn de gevolgen van deze combinatie van ontwikkelingen. Valse romantiek is sterk in opkomst bij hoogopgeleide jonge conservatieven, die zijn grootgebracht met de gedachte dat ze ertoe doen en nu tot de ontdekking komen dat er eigenlijk geen behoefte aan hun diensten bestaat. En een theatraal idealisme is het grote euvel van veel te veel hoogopgeleide linkse jongelui, die de historische overwinningen van eerdere progressieve generaties vaak dunnetjes over willen doen, ook al is die buit grotendeels allang binnen. Maar het resultaat dat voor de politiek het meest relevant is, is misschien dat politieke partijen uit de mode zijn en online massabewegingen zeer in trek. Hoe klein dat verschil ook lijkt, het gaat diep. Niet iedereen die als Republikein geregistreerd staat, zal zich meteen aansluiten bij een gewelddadige opstand of juichen als de pijlers van de Amerikaanse rechtsorde worden ontmanteld. Niet iedereen die op de Democraten stemt, wordt daarmee op slag een activist voor intens impopulaire maatschappelijke hervormingen. Daar is meer voor nodig.
Zowel de MAGA-stroming als de intolerante, autoritaire equivalenten ter linkerzijde vertonen veel kenmerken van de massabeweging van ‘ware gelovigen’ zoals die begin jaren vijftig door de havenarbeider annex filosoof Eric Hoffer getypeerd werd. Beide stromingen zijn natuurlijk een afspiegeling van bredere sociaaleconomische ontwikkelingen, die variëren van verstoringen in de arbeidsmarkt en groeiende ongelijkheid tot dalende sociale mobiliteit en een ‘hoogopgeleiden-overschot’. Maar belangrijker is dat beide stromingen hun achterban bespelen via die kanalen en bezigheden die de meeste vrije tijd en aandacht van mensen opslurpen. Als er één ding is dat de maatschappelijk meest schadelijke achterbannen van onze tijd verenigt, is het dat ze allemaal ‘erg online’ zijn.
Massabewegingen gedijen net als sommige strenge religieuze sekten bij de zelfhaat van hun volgelingen. Dat zijn mensen die zichzelf niets te bieden hebben. Als ze in zichzelf kijken, vinden ze slechts leegte. De gemiddelde volgeling is niet alleen gefrustreerd door zijn levensomstandigheden, maar ook murw van verveling en ontevreden over zichzelf. In zijn werk, zijn sociale leven en zijn privésituatie vindt hij volop bewijzen van zijn machteloosheid, dus zoekt hij een nieuwe identiteit voor zichzelf in het lidmaatschap van de beweging. Ineens hoort hij ergens bij.
‘Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land’
De concrete boodschap van de beweging is bijzaak. De ongewenste eigen identiteit kan men afschudden door bij zichzelf een of andere geestelijke stoornis vast te stellen (die zelfdiagnose is een groeiende trend op sociale media) en zo toe te treden tot een nieuwe gemeenschap van lotgenoten. Door zichzelf weg te cijferen ten opzichte van historisch onrecht. Door zich een nieuwe identiteit of godsdienst aan te meten. Of door trouw te zweren aan een charismatische leider die belooft de instanties op de schop te nemen die jouw ontplooiing zogenaamd in de weg hebben gestaan. Dit gedrag tref je doorgaans niet aan onder mensen die zelf een gezonde en verrijkende invulling aan hun ongeregimenteerde vrije tijd geven.
Dat het inhoudelijke programma van de beweging van ondergeschikt belang is, levert ironische situaties op. De traditioneel ‘mannelijke’ beeldtaal van de MAGA-beweging lijkt velen aan te spreken; maar wat zijn zij die braaf achter de alfafiguur van de grote leider aanlopen anders dan gedweeë meelopers? Veel aanhangers klagen over economische ongelijkheid, maar zijn zelf bepaald niet berooid. Wie echt straatarm en wanhopig is, heeft tijd noch middelen om af te reizen naar partijbijeenkomsten, aan opstanden mee te doen of memecoins en ander waardeloze merchandising te kopen. Die kan zich niet de uitrusting veroorloven om in het weekend soldaatje te spelen.
Ook het nationalistische karakter en de hersenloze destructiedrang van de beweging zijn kenmerkend. Wie zelf weinig gepresteerd heeft, beroept zich vaak op de prestaties van zijn land. ‘Wanneer we ons ik afzweren en opgaan in een compact geheel, doen we niet alleen afstand van ons individueel gewin, maar ook van onze individuele verantwoordelijkheid’, schreef Hoffer. ‘Wanneer we onze individuele onafhankelijk verruilen voor het groepsgevoel van een massabeweging, vinden we daarin een nieuwe vrijheid: de vrijheid om zonder wroeging of schaamte te haten, intimideren, liegen, martelen, moorden en verraden.’
Een nieuwe vrijetijdsethiekKrijgen de oude puriteinse zedenmeesters dan toch gelijk? Misschien, maar alleen omdat zij ons een selffulfilling prophecy hebben nagelaten. Een samenleving die zo doortrokken is van het protestantse arbeidsethos en zo in het teken staat van het najagen van individueel succes, is niet in staat om zijn burgers op een ander soort leven voor te bereiden.
Terwijl onze eigen wijsgerige traditie toch oplossingen te over biedt voor het probleem van de vrije tijd, of die nu de nadruk leggen op het belang van vriendschap (Epicurus), bezinning (Aristoteles) of het dienen van de publieke zaak ‘met oog voor de ander’ (Cicero). Deze essentiële menselijke kwaliteiten zijn danig uitgehold, resulterend in een tijdperk van eenzaamheid, achteloosheid en opgeklopt groepsdenken. Maar met genoeg vrije tijd en bewuste benutting daarvan kunnen ze in ere worden hersteld. Demagogen, complottheorieën en sekteleiders zullen er altijd zijn, maar ze krijgen geen vat op een volk dat in zichzelf vervulling vindt.
Een gezonde relatie met onze vrije tijd krijgen we niet vanzelf. Dat vereist een ethiek van de vrije tijd, en net als de deugdethiek van Aristoteles moet die ons waarschijnlijk met de paplepel worden ingegoten. Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement, tussen lagere en hogere geneugten, tussen het prikkelende en het sublieme. Zij die dit onderscheid ontkennen, zijn van dat idee niet af te brengen, want zij behoren niet tot de ingewijden. Zij weten niet waarover ze spreken.
‘Alleen door diepgaande en aanhoudende gewenning leert een mens gaandeweg onderscheid te maken tussen kunst en amusement’
Het leren waarderen van de meer verrijkende bronnen van zelfontplooiing vergt tijd en zelfdiscipline. Maar een complete entertainmentbranche is er louter op gericht ons van dat rechte pad af te brengen. Vanaf een bepaald moment kreeg onderwijs niet langer tot doel om te streven naar het vormen van evenwichtige burgers met een rijk geestelijk leven, politiek inzicht en geestelijke of emotionele zelfstandigheid, zoals Dewey ooit hoopte. Het doel is nu alleen nog om in een tijd van aanhoudende technologische veranderingen de voorraad ‘menselijk kapitaal’ voor onze economie op peil te houden.
Enkele jaren geleden werd alle leerlingen nog op het hart gedrukt dat ze moesten ‘leren programmeren’, ongeacht of daar hun interesse lag. Maar nu krijgen we te horen dat juist op dit vlak de grote taalmodellen al veel beter zijn. Zal een deel van de voor bèta-onderwijs gereserveerde miljarden alsnog opzijgezet worden om de geesteswetenschappen te redden, de vakgebieden bij uitstek waarvan de waarde niet volledig van onvoorspelbare macro-economische ontwikkelingen afhankelijk is? Ik zou er maar niet op rekenen.
De grootsheid van Amerika heeft een samenleving voortgebracht waarin de burgers zich geen raad weten met de vrijheid en overvloed die door eerdere generaties tot stand is gebracht. We zijn er nu getuige van hoe deze erfenis wordt verkwanseld, en dat schouwspel is nog vunziger en stompzinniger dan gedacht.
Volgens de Keniaanse opinieschrijver Patrick Gathara heeft ontwikkelingshulp altijd in dienst gestaan van een wereldwijd koloniaal systeem. De implosie van deze bedrijfstak, waar de ontmanteling van USAID een voorbeeld van is, biedt de kans om een nieuwe wereldorde te scheppen met meer onafhankelijkheid en gelijkheid.
De bliksemcampagne van Donald Trump tegen het US Agency for International Development (USAID) heeft deze organisatie, die als ‘grootste donor ter wereld’ te boek staat, te gronde gericht. Aan de betrokkenen de ondankbare taak het internationale systeem voor ontwikkelings- en humanitaire hulp van de totale ondergang te redden. Velen betreuren de ernstige gevolgen van dit ongeëvenaarde besluit van de Amerikaanse president, die hierin overigens niet helemaal alleen staat, want ook andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, willen bezuinigen op ontwikkelingshulp.
Ontwikkelingswerker Luca Crudeli, naar eigen zeggen sinds 2003 gepassioneerd bezig met zijn vak, schreef op LinkedIn dat hij gebukt gaat onder het gevoel ‘dat de morele kern van ons werk geruisloos uit onze handen glipt’ en onder het verontrustende besef ‘dat de humanistische essentie van ontwikkelingshulp zoek kan raken in een wirwar van contracten en strategische statistieken’.
Maar die omschrijving van ontwikkelingshulp als iets essentieel humanistisch zal veel mensen in het Globale Zuiden nogal wrang in de oren klinken. Ongetwijfeld zijn veel ontwikkelingswerkers fatsoenlijke mensen met moreel besef die zich oprecht bekommeren om het welzijn van hun medemensen wereldwijd. Ook staat vast dat de hulpindustrie ervoor zorgt dat miljoenen mensen kunnen overleven.
Desalniettemin is de essentie van ontwikkelingshulp altijd al veel minder humanistisch geweest dan de pleitbezorgers ervan beweren. In werkelijkheid is de hulpindustrie een instrument voor geopolitiek beheer geweest, een middel om wereldwijde ongelijkheid en de onttrekking van middelen die deze voedt in stand te houden in plaats van tegen te gaan. De afgelopen dagen, na de teloorgang van USAID, heeft deze realiteit steeds meer aandacht gekregen – bewust of onbewust.
Amerikaanse belangenEen verklaring van InterAction, een alliantie die ‘de stemmen van Amerika’s leidende humanitaire en ontwikkelingsorganisaties bundelt en versterkt’, maakte dat heel duidelijk. Deze organisaties, zo stond er vóór een haastige herschrijving, ‘werken onvermoeibaar om levens te redden en de Amerikaanse belangen wereldwijd te bevorderen’. Met de toevoeging dat de aanval op USAID ‘programma’s ter ondersteuning van Amerikaans mondiaal leiderschap’ heeft opgeschort en ‘gevaarlijke vacuüms heeft gecreëerd die China en onze tegenstanders snel zullen opvullen’. Klinkt dit ‘humanistisch’?
Marina Kobzeva, die bijna twintig jaar als hulpverlener heeft gewerkt, schreef in een reactie hoe verschillend er op de verklaring is gereageerd. Collega’s uit het Globale Noorden repten van een ‘slechte formulering’ en ‘een oprechte vergissing’, terwijl die uit het Globale Zuiden een soort genoegdoening leken te voelen: ‘Eindelijk laten ze hun ware aard zien.’
Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme
Het westerse humanitarisme is vanaf het begin nauw verbonden geweest met westers kolonialisme. Zo werd de Berlijnse Conferentie van 1884-1885, die de opmaat vormde voor de verovering van Afrika door Europa, als een humanitaire aangelegenheid gepresenteerd. En hoewel de eerste humanitaire organisaties werden opgericht om de gruwelijke gevolgen van conflicten in Europa aan te pakken toen wederopbouwprojecten na de Tweede Wereldoorlog op een lager pitje kwamen te staan, begonnen veel organisaties zich te roeren in het Globale Zuiden, waar ze het westerse hegemonisme actief ondersteunden.
Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme. Het weldoenersimago verdoezelt de uitbuitende natuur van het internationale systeem, en probeert de ergste excessen te verzachten zonder daadwerkelijk aan dat systeem te tornen. Feitelijk is er sprake van een symbiotische relatie. De hulpindustrie legitimeert wereldwijd op exploitatie gerichte handels- en bestuursstelsels, en wat die opleveren legitimeert weer het bestaan van hulporganisaties.
Structurele transformatieHierdoor is de geracialiseerde wereldorde nauwelijks veranderd en blijft er diepe ongelijkheid bestaan, ondanks de groei van hulp- en ontwikkelingsorganisaties. Een onderzoek uit 1997 van het Amerikaanse Congressional Budget Office concludeerde dat buitenlandse hulp hooguit een marginale rol speelde in economische ontwikkeling en het menselijk welzijn, en die ontwikkeling zelfs kon belemmeren, afhankelijk van plaats en omstandigheden.
Het is daarom niet verrassend dat nu de hulpsector bezig is om te vallen, sommige zogenaamde begunstigden daar niet zo rouwig om zijn. Heba Aly, voormalig directeur van het persbureau The New Humanitarian, merkte op dat tijdens een recente bijeenkomst ‘sommige activisten uit het Globale Zuiden zich minder zorgen maakten over bezuinigingen op hulp dan de donoren. Het zou hun eigen leiders misschien dwingen verantwoordelijkheid te nemen en niet langer afhankelijk te zijn van ondersteuning.’ Hieruit blijkt hoe hulpverlening fundamentele hervormingen van zowel mondiale als nationale systemen van koloniale exploitatie vervangt door liefdadigheid.
‘Als dit het begin is van het einde van hulp, moeten we ons richten op een structurele transformatie’
De uitholling van westerse hulp zal ongetwijfeld tragisch en pijnlijk zijn. Sommige van ’s werelds meest kwetsbaren zullen lijden, velen zullen sterven. Dit aspect verdient een belangrijke plaats in discussies over de rechtvaardigheid of kwalijkheid van hulp in het algemeen. We moeten de wereld tegemoet treden zoals die is, niet zoals we willen dat die is, en al het mogelijke in het werk stellen om ongunstige effecten te verzachten.
Maar dit is ook een kans om een wereld zonder ontwikkelingshulp op te bouwen. ‘Als dit het begin is van het einde van hulp,’ schrijft Aly, ‘moeten we ons richten op een structurele transformatie’: de hervorming van mondiale handels- en financiële systemen die ervoor hebben gezorgd dat de armsten hebben betaald voor de levensstijl van de rijken.
Dat betekent niet dat we een Hobbesiaanse wereld krijgen zonder solidariteit. Wel een wereld waarin liefdadigheid geen dekmantel is voor onrechtvaardigheid. Het einde van hulp betekent idealiter ook het einde van ’ontwikkeling’, een verderfelijke ideologie die ervan uitgaat dat de ‘ontwikkelde wereld’, waarvan de welvaart stoelt op de ruïnering van andere samenlevingen en van de aarde, een voorbeeld is dat navolging verdient. We moeten werken aan een wereldorde die werkelijk humanistisch is.
EU-lidstaten moeten zich niet uitsloven om in het gevlij te komen bij de nieuwe Amerikaanse president.
In 1981 voerden de sociologen Betty Grayson en Morris Stein een inmiddels befaamd onderzoek uit naar de criteria waarop misdadigers hun slachtoffers kiezen. Eerst filmden ze in een drukke straat in New York voorbijgangers. Vervolgens vertoonden ze in een gevangenis aan de oostkust die beelden aan gedetineerden die vastzaten voor geweldsdelicten tegen mensen die ze niet kenden (roofovervallen, verkrachting, moord). De gedetineerden moesten de voorbijgangers beoordelen op een schaal van 1 tot 10, van ‘makkelijke prooi’ tot ‘niet aan beginnen, te veel gedoe’.
De uitkomst was opvallend. Alle gedetineerden pikten precies dezelfde personen eruit als veelbelovend doelwit. Hun keuze berustte niet alleen op geslacht, huidskleur of leeftijd, zoals je zou kunnen verwachten. Oudere vrouwen en verstrooide professoren waren niet automatisch eerste keus. Andere criteria bepaalden hun keuze. De misdadigers lazen de non-verbale signalen van de voorbijgangers – hoe ze liepen, de beweging van hun hoofd en handen, het zelfvertrouwen dat ze uitstraalden – en lieten zich daardoor leiden. Ze kozen de personen die zich in hun ogen als slachtoffer gedroegen.
Botte dreigementenIk moest aan dat onderzoek denken toen ik nadacht over de strategische dilemma’s waar Europa voor staat na de regeringswisseling in de VS. De eerste stappen van Trumps team lijken erop te wijzen dat de nieuwe president zijn macht niet zozeer wil gebruiken om de confrontatie aan te gaan met Amerika’s vijanden, maar om Washingtons bondgenoten zijn wil op te leggen. Trumps uitspraken over Groenland en Canada en de tweets waarin Elon Musk oproept tot een regeringswissel in het Verenigd Koninkrijk zijn daarvan de duidelijkste tekenen. Trump hoopt blijkbaar dat botte dreigementen aan het adres van enkele bondgenoten volstaan om de rest naar zijn pijpen te laten dansen.
De EU-lidstaten hebben alle reden om bang te zijn dat Washington in zijn benadering zal kiezen voor dezelfde koers als die de Russische oud-president Dmitri Medvedev onlangs verwoordde toen hij zei dat ‘het nodig is alle destructieve processen in Europa een handje te helpen’.
Uit het wereldwijde opinieonderzoek dat de European Council on Foreign Relations eind 2024 liet uitvoeren komt naar voren dat de terugkeer van Trump in het Witte Huis door ‘een groot deel van de wereld wordt verwelkomd’. Europeanen en Zuid-Koreanen vinden hem een lompe brokkenmaker, maar verder gelooft het merendeel dat hij goed is voor Amerika, voor hun eigen land en voor de wereldvrede.
Die steun voor Trump is misschien alleen een kwestie van natuurlijk enthousiasme voor een winnaar. En dat kan snel omslaan als de handelstarieven waarmee hij dreigt eenmaal hun beslag krijgen, of als hij toch geen eind kan maken aan de conflicten in Oekraïne en het Midden-Oosten.
De VS wordt eindelijk een normale grootmacht: een land dat een hegemonie uitoefent, maar geen kruistocht voert
Maar er is nog iets interessanters aan de hand. Velen vinden Trumps openlijke minachting voor internationale regels te verkiezen boven de onuitstaanbare hypocrisie van de vorige liberale regering. Onder Trump wordt de VS eindelijk een normale grootmacht: een land dat een hegemonie uitoefent, maar geen kruistocht voert. Een land dat zich niet langer voordoet als beter dan andere landen, maar simpelweg optreedt vanuit de gedachte dat het sterker is.
Het onderzoek van de ECFR legt echter ook andere trends bloot, en daar liggen kansen voor Europa. De niet-westerse wereld mag Trump dan verwelkomen, toch denken velen dat eerder China dan de VS uiteindelijk de dominante supermacht zal worden.
Trumps internationale strategie bestond er in 2016 vooral uit om een wig te drijven tussen China en Rusland. Dat lijkt niet langer realistisch. Uit de peiling van de ECFR blijkt dat in de loop van het afgelopen jaar niet alleen de leiders, maar ook de inwoners van Rusland en China elkaars land als bondgenoot zijn gaan beschouwen. Terwijl in Europa slechts een op de vijf burgers de VS nog als bondgenoot beschouwt. Dus terwijl het erop lijkt dat Amerika zijn eigen bondgenoten in de kou laat staan, hebben Moskou en Beijing de voordelen van samenwerking ontdekt.
HoogtepuntMaar al lijkt Europa door Trump te zijn afgeschreven, buiten het Westen wordt het continent nog alom als uiterst machtig beschouwd. In deze vijandige omgeving komt het er voor Europa nu op aan zich nooit als slachtoffer te gaan gedragen. Europese staten moeten zich vooral niet haasten om de nieuwe president te behagen of tegen te werken. Ze moeten de tijd nemen om zich te bezinnen op hun aanpak van Amerikaanse techgiganten en hoe ze moeten reageren op het dreigement van handelstarieven. Ze moeten Turkije en andere niet-westerse machten actief betrekken bij het gesprek over veiligheidsgaranties voor Oekraïne. Tegenover de druk van Trump moet Europa eerder verwarring zaaien dan tegendruk uitoefenen. En wat Trump vooral in verwarring zal brengen, is als Europese leiders de aandacht richten op hun eigen land en niet op de nieuwe Amerikaanse regering. De sleutel voor een Europese strategie is het besef dat 20 januari paradoxaal genoeg niet alleen het begin markeert van Trumps tweede ambtstermijn, maar ook meteen het hoogtepunt van zijn mondiale invloed.
From the publisher's feed