
Sign up to save your podcasts
Or


De preek met de titel “Onze vader is onze bewaarder” is gebaseerd op Psalm 121 en staat volledig in het teken van vertrouwen op God als onze helper en beschermer. Harry begint met de bekende woorden over het opslaan van de ogen naar de bergen en de vraag waar onze hulp vandaan komt. Het antwoord is duidelijk: onze hulp komt van de Heer, de Schepper van hemel en aarde. God wordt neergezet als een wachter die niet slaapt en niet moe wordt, die voortdurend over ons waakt.
Vanuit deze psalm kijkt hij terug op het afgelopen jaar en herkent daarin zowel hoge bergen als diepe dalen. Die bergen staan voor zorgen, drukte, onzekerheid en alles wat op ons afkomt in het dagelijks leven. Werk, gezin, financiën, verwachtingen, wereldpolitiek en de constante stroom van informatie zorgen voor spanning en onrust. De vraag die steeds terugkomt is: waar stel je je vertrouwen op, op je eigen middelen en zekerheden, of op God?
Harry benadrukt dat God de problemen niet altijd wegneemt, maar dat Hij ons wel helpt om over de bergen heen te kijken. Wij kijken vaak tegen de problemen aan, maar God ziet het geheel en gaat met ons mee op de weg. Hij is geen toeschouwer, maar actief betrokken bij ons leven. Dat wordt zichtbaar in persoonlijke voorbeelden van ziekte, verlies, zorgen binnen het gezin en momenten van onzekerheid. Juist daarin klinkt de vraag opnieuw: waar komt mijn hulp vandaan?
God wordt beschreven als de echte Bewaarder, anders dan alles wat mensen proberen te organiseren of te controleren. Apparaten, systemen en plannen kunnen observeren, maar niet echt ingrijpen. God kan dat wel. Hij waakt dag en nacht en laat Zijn zorg nooit verslappen. Mensen raken moe, accu’s lopen leeg, maar God blijft trouw.
Met het oog op het nieuwe jaar roept Harry op om omhoog te kijken voordat we vooruit kijken. Niet eerst focussen op de problemen of de bergen die voor ons liggen, maar bewust leven in afhankelijkheid van God. Keuzes samen met God maken geeft rust, zelfs wanneer dingen anders lopen dan gehoopt. Niet alles hoeft op onze schouders te liggen; God nodigt uit tot vertrouwen en tot het nemen van rustmomenten.
De preek sluit af met de zekerheid uit Romeinen 8 dat niets ons kan scheiden van de liefde van God. Die belofte mag richting geven aan het nieuwe jaar. Bij elke stap, elke keuze en elke afslag mogen we God meenemen, vertrouwend dat Hij soms rust geeft en soms aanspoort om verder te gaan. Het oude jaar ligt achter ons, het nieuwe ligt open, en daarin wil God met ons meegaan, als onze Bewaarder.
Geert begint bij het feest van Kerst en leidt dat organisch naar het kruis van Jezus, het centrum van het christelijk geloof. Hij legt uit dat de geschenken van de wijze goud, wierook en mirre al profetisch wezen naar wie Jezus is en wat Hij kwam doen: koning, puur en offerlam. Mirre staat symbool voor het bittere lijden dat Jezus zou ondergaan, maar ook voor de heerlijke vrucht die daarvan kwam. Het kruis is zowel verschrikkelijk als de mooiste gebeurtenis in de geschiedenis omdat Jezus daar het verlossingswerk volbracht. Iedere zonde kan alleen vergeven worden en iedere dood alleen overwonnen door Zijn offer en bloed aan het kruis. Geert vertelt een persoonlijk getuigenis van genezing om te laten zien hoe die kracht ook vandaag doorwerkt.
Hij benadrukt dat het kruis niet een noodoplossing voor een mislukte mensheid was maar Gods plan van vóór de grondlegging van de wereld, zoals Openbaring zegt over “het Lam dat geslacht is” vanaf eeuwigheid. Jezus vervult alle offers uit het Oude Testament; Zijn bloed is onmeetbaar kostbaar, en de offers wijzen naar één volmaakt offer voor alle mensen die geloven. Door het offer van Jezus kunnen zonden vergeven worden, genezing plaatsvinden, relaties hersteld worden en zelfs leven opnieuw worden gegeven. Geert onderstreept de menswording van Jezus: door mens te worden kon Hij de dood en satan overwinnen en als mens medeleven tonen. Hij roept de toehoorders op om het kruis niet alleen te herinneren maar het in het eigen leven te dragen, dat bitter water van teleurstellingen en pijn te verbinden met het kruis zodat transformatie kan plaatsvinden.
In zijn gebed sluit hij af met het vragen van Gods aanwezigheid om het kruis en het bloed van Jezus in hun leven, families en kerk toe te passen, en benadrukt dat de gehoorzaamheid van Jezus aan het kruis het grootste voorbeeld is dat christenen mogen volgen.
Corné opent met woorden uit Matteüs 6:19–27, waar Jezus oproept geen schatten op aarde te verzamelen en niet bezorgd te zijn over het leven. Hij gebruikt het beeld van de vogels om te benadrukken dat God zal voorzien, zowel in het persoonlijke leven als in de gemeente. Het gebouw waarin ze samenkomen wordt gezien als een teken van die voorziening. Hij moedigt aan om te investeren in Gods Koninkrijk, omdat dat waarde heeft voor de eeuwigheid.
Daarna gaat hij verder met het thema leven in het licht. Hij onderscheidt twee soorten geheimen: negatieve geheimen van schaamte en schuld, en positieve geheimen zoals roeping en genade. Het verhaal van de Samaritaanse vrouw uit Johannes 4 laat zien hoe Jezus met liefde haar diepste geheim aanraakt, niet om te veroordelen, maar om haar vrij te maken. Wat eerst haar schaamte was, wordt haar getuigenis. Zo verandert Jezus het verborgene in bevrijding.
Ook het verhaal van Maria uit Lucas 1 komt aan bod. Zij kreeg van God een geheim mee: ze zou zwanger worden van Jezus, maar kon dit nog niet met iedereen delen. Corné benadrukt dat dit soort geheimen van roeping ook in ons leven kunnen bestaan. Ze vragen om geduld, vertrouwen en overgave. Maria verstopte zich niet, maar gaf zich over aan Gods wil.
De preek sluit af met de gedachte dat Jezus gekomen is om het grootste geheim van de duisternis te verbreken. Hij roept ons uit het verstoppen, net als bij Adam en Eva, en nodigt ons uit in het licht te leven. Jezus is Gods geheim dat openbaar is geworden. We mogen zonder schaamte en zonder verborgenheid leven, omdat God zijn licht in ons wil laten schijnen. Zoals Maria Jezus droeg in haar schoot, zo mogen wij Hem dragen in ons hart, en leven in vrijheid, in het licht van Advent.
De preek van Martien gaat over de verhouding tussen Israël en de gemeente, en over hoe God trouw blijft aan zijn verbond met het Joodse volk, terwijl wij als gelovigen uit de heidenen daarin mogen worden ingesloten. Hij begint persoonlijk: december is voor hem een moeilijke maand vanwege het overlijden van Stik, maar hij is dankbaar om in de gemeente te zijn, te zien wat God doet en te horen dat er gevast wordt voor Tiel. Vervolgens raakt hij kort de gebeurtenissen van 7 oktober 2023 aan: de brute aanvallen op Israël en het onbegrip dat Israël daarna zó veel kritiek krijgt. Hij noemt een boek over misverstanden rond Israël en antisemitisme, maar benadrukt vooral dat uiteindelijk niet de actuele analyses het belangrijkst zijn, maar wat de Bijbel zegt.
Hij schetst vervolgens hoe de kerk door de eeuwen heen mede verantwoordelijk is geweest voor vijandigheid tegenover Israël. Al aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw ontstond de vervangingsleer: het idee dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Die gedachte heeft volgens hem een enorme voedingsbodem gegeven voor antisemitisme, met als dieptepunt de Shoa, de Holocaust. Pas ná de Holocaust begonnen veel christenen te beseffen dat er iets grondig mis was in hun theologie over Israël. Toch zijn er nog steeds kerken die leren dat de kerk Israël heeft vervangen – en dat is volgens Martien onbijbels, want het zou betekenen dat God zijn verbond verbroken heeft en dus onbetrouwbaar zou zijn.
Daarom gaat hij terug naar het begin: het verbond met Abraham. In Genesis 12, 15 en 17 sluit God een verbond dat hij steeds opnieuw bevestigt, bij Isaac, Jacob en Mozes. Het is een eeuwig verbond, gebaseerd op Gods onveranderlijk karakter: als Hij ja zegt, is het ja. Dit verbond vormt de rode draad van Gods plan met de schepping. Uiteindelijk mondt dit uit in de komst van de Messias: Yeshua, een Joodse man, geboren in een Joods gezin in Israël, het land dat God bestemd heeft voor het Joodse volk. Martien benadrukt dat Jezus allereerst de Joodse Messias is en dat wij het Nieuwe Testament vaak met “christelijke ogen” lezen, terwijl we eigenlijk met Joodse ogen zouden moeten leren kijken om echt te begrijpen wat er gebeurt.
Een sleutelmoment is de Pesachmaaltijd, het laatste avondmaal. Daar stelt Jezus het nieuwe verbond in met brood en beker. Martien benadrukt dat dit nieuwe verbond op dat moment niet met “de kerk” of met heiden-christenen wordt gesloten, maar met Joden: met zijn Joodse discipelen, als vertegenwoordigers van het Joodse volk. Dat is tegelijk de vervulling van de profetie uit Jeremia 31, waar God belooft een nieuw verbond te sluiten met het huis van Israël en Juda, zijn wet in hun hart te schrijven en hun zonden niet meer te gedenken. Martien onderstreept dat de Bijbel één geheel is: eerste en tweede testament horen bij elkaar. Je kunt het Nieuwe Testament niet goed begrijpen zonder het Oude; wie alleen het Nieuwe uitdeelt, geeft “nog niet eens de helft van de Bijbel.”
Daarna laat hij zien hoe het heil zich verbreedt van het Joodse volk naar de volken. Jezus lijdt en sterft niet alleen voor de zonden van Israël, maar voor de hele wereld – de mensenwereld. In Handelingen zie je eerst veel Joden tot geloof komen in hun Messias, daarna ook heidenen, met Cornelius als bekend voorbeeld. Voor Petrus is het een schok wanneer hij ziet dat de Heilige Geest óók op niet-joden wordt uitgestort. De vraag ontstaat: moeten heidenen eerst Jood worden? Het apostelconvent komt tot de conclusie dat heidenen niet besneden hoeven te worden en niet volledig onder de Joodse wet hoeven te leven. Er zijn wel enkele basisafspraken, maar ze worden als heiden-gelovigen opgenomen in het nieuwe verbond.
Martien staat stil bij de naam “christenen”, die voor het eerst in Antiochië wordt gebruikt en niet door gelovigen zelf, maar door buitenstaanders. “Christos” is eenvoudigweg de Griekse vertaling van “Messias”. Eigenlijk, zegt hij, zijn wij messiaanse gelovigen: geen Joden, maar mensen die Jezus als Messias volgen. Dat Paulus vaak “Christus” gebruikt, komt doordat hij vooral tot Grieks sprekende heidenen preekte. Tegelijk is in de geschiedenis, mede door vervangingsleer, Jezus als het ware “vergriekst” en “verchristelijkt”, waardoor zijn Jood-zijn naar de achtergrond is verdwenen. Dat maakt het voor veel Joden ook moeilijk om zich met het christendom te identificeren.
Het theologische hart van de preek ligt in Romeinen 9–11. Paulus maakt daar duidelijk dat de Messias uit Israël is voortgekomen en dat God een specifieke lijn van belofte en zegen volgt (Abraham – Isaac – Jakob, niet Ismaël en Esau). In Hosea ziet Paulus bevestigd dat ook niet-joden in die zegen mogen delen. In Romeinen 10 onderstreept hij dat er geen onderscheid is tussen Jood en Griek in de weg tot behoud: ieder die de naam van de Heer aanroept, zal behouden worden. Niet de wet rechtvaardigt, maar het geloof in Jezus de Messias en zijn kruis en opstanding.
In Romeinen 11 verwerpt Paulus expliciet de gedachte dat God zijn volk heeft verstoten: “Volstrekt niet. God heeft zijn volk dat Hij tevoren kende, niet verstoten.” Martien benadrukt dat dit zwart-op-wit staat. Hij legt het beeld van de olijfboom uit: Israël is de edele olijf, wij heiden-gelovigen zijn wilde takken die daarop geënt zijn. De wortel draagt ons, niet andersom. Door ongeloof zijn sommige Joodse takken afgebroken, maar als God wilde takken kan enten, kan Hij des te meer natuurlijke takken terugzetten. Er is nu een gedeeltelijke verharding over Israël “totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan”. Daarna komt de belofte: “en zo zal heel Israël zalig worden.” Hoe precies, wanneer en hoe dat wereldwijd en door de geschiedenis heen uitwerkt, weet Martien niet, maar hij vertrouwt op Gods rechtvaardigheid, trouw en liefde.
Aan het einde trekt hij lijnen naar onze houding. Israël maakt fouten, net als wij. Dat mag ons niet verleiden om ons boven hen te verheffen, gevoed door restanten van vervangingsleer. Wij zijn geen Joden; we hoeven geen keppeltje op of Joodse gebruiken over te nemen om “meer verbonden” te zijn. Onze roeping is nederigheid en respect: wij zijn heiden-gelovigen die uit genade zijn toegevoegd aan het volk van God. Hij moedigt wel aan om meer aandacht te hebben voor de bijbelse feesten, niet als “Joods speelgoed”, maar als door God ingestelde momenten vol betekenis. Dat kan een verrijking zijn naast of onder onze traditionele christelijke feestdagen.
Ook het avondmaal plaatst hij in dat licht: brood en wijn zijn geen “christelijk ritueel”, maar tekenen van het messiaanse nieuwe verbond dat in de eerste plaats met het Joodse volk is gesloten, waarin wij mogen delen. Wanneer we brood breken en wijn drinken, gedenken we de Joodse Messias Yeshua die voor ons stierf. Martien roept op om te blijven bidden voor het Joodse volk, voor Israël en voor de vrede van Jeruzalem, omdat dat land en die stad in de eerste plaats aan God toebehoren, hoe de wereld er ook over oordeelt.
Hij sluit af met een moment van stilte en een gebed. Hij vraagt God om open ogen en een geopend verstand om de Schrift te begrijpen, om meer zicht op Gods grote plan met de wereld en op wat Yeshua voor ons gedaan heeft. Hij kijkt uit naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zonder oorlog, pijn of dood, en bidt dat wij in de tussentijd moed en kracht krijgen om getuigen van Jezus te zijn, in woorden en in ons leven. Daarna gaat hij over tot het vieren van het avondmaal, waarbij hij de gemeente uitnodigt om bewust en actief naar voren te komen als uitdrukking van het verlangen om deel te hebben aan dat nieuwe verbond.
In zijn preek op 30 november 2025 spreekt Corné den Breejen over het leven in het licht van God — niet als een ideaal plaatje, maar als een uitnodiging tot eerlijkheid, kwetsbaarheid en herstel. Hij begint persoonlijk: hij had een vrije zondag gepland, maar stelde zich in gebed beschikbaar aan God. Toen bleek dat de oorspronkelijke spreker ziek was, werd hij gevraagd om in te vallen. Dat moment van beschikbaarheid werd de opmaat tot een boodschap over leven zonder maskers.
Corné leest uit Genesis 3, waar Adam en Eva zich verstoppen voor God na hun zonde. Dat verstoppen herkent hij ook bij ons: zodra er schaamte of schuld in ons leven komt, zoeken we dekking — met woorden, maskers of de schuld buiten onszelf leggen. Maar God blijft dezelfde: Hij komt op hen af, stelt een liefdevolle vraag — “Waar ben je?” — en zoekt geen informatie, maar relatie.
Vervolgens laat Corné zien hoe deze lijn doorloopt in de Bijbel, onder andere in Psalm 32. David beschrijft daar hoe zijn lichaam wegteerde zolang hij zijn zonde verborg, maar verlichting vond toen hij beleed. “Wij bedekken, God vergeeft,” zegt Corné. Hij benadrukt dat Gods vergeving begint bij onze eerlijkheid: als wij belijden, reinigt Hij.
Ook in 1 Johannes 1 komt dit naar voren: leven in het licht betekent wandelen in openheid, zonder dubbele lagen. Niet één gezicht op zondag en een ander thuis. Licht onthult — zoals zonlicht stof laat zien, zo maakt Gods licht onze verborgen plekken zichtbaar. En juist dáár wil Hij genezing brengen. Het doel is niet oordeel, maar herstel.
Corné is praktisch: hoe breng je dit in praktijk in een tijd van filters, maskers en sociale schijn?
Hij besluit met de oproep: “Wees geen perfect mens, maar een transparant mens.” Laat je maskers vallen, leef in het licht. Want God roept vandaag, zoals Hij Adam riep: “Waar ben je?” Niet om je te beschamen, maar om je te bevrijden.
In zijn preek begint Sjef met de vaststelling dat we leven in onzekere tijden: systemen wankelen, de economie vertoont tekenen van instabiliteit, en er wordt opnieuw angst gezaaid – bijvoorbeeld via berichten over mogelijke stroomuitvallen of toenemende maatschappelijke spanningen. Vanuit die context stelt hij de centrale vraag: waar bouw jij je leven op? Niet alleen in positieve tijden, maar juist te midden van stormen.
Hij wijst erop dat het geloof van gelovigen niet gebouwd kan zijn op wat je hoort, wat je ziet of wat mensen zeggen – maar op de vaste, onveranderlijke aanwezigheid van Jezus Christus, de rots. Sjef onderstreept dat Jezus in Matteüs 24 vooraf aangeeft dat er oorlogen, aardbevingen, vervolgingen en allerlei onrust zullen zijn – maar dat gelovigen niet angstig hoeven te zijn. Het gaat erom dat je niet alleen hoort, maar ook doet wat Jezus zegt: dan ben je als iemand die zijn huis bouwt op de rots (vgl. Matteüs 7:24-27).
Sjef maakt dit persoonlijk: hij vertelt dat hij in zijn eigen leven stormen heeft meegemaakt – financiële zorgen, een lekkend dak, angst – en dat hij heeft ondervonden dat vertrouwen op mensen of omstandigheden op termijn instabiel is. Hij moedigt aan om je fundament niet te leggen in je portemonnee, in leiders, in systemen of in jezelf, maar in Jezus. Hij waarschuwt dat wie slechts hoort en niet doet, likt op zand te bouwen: het lijkt goed, maar bij de stormen valt het in.
Verder benadrukt hij dat investeren in je relatie met Jezus betekent Hem leren kennen – in stilte, in gebed, in gehoorzaamheid – zodat wanneer de storm komt, je stevig staat omdat je gebouwd hebt op de rots. Hij refereert aan het bijbelvoorbeeld van Job die alles verloor maar z’n God niet verloor, en daarvan kwam hij versterkt uit. Sjef verklaart dat dit ook jouw eredienst kan zijn: dat wat je nu meemaakt – de pijn, de onzekerheid – ten goede kan worden gekeerd wanneer je gebouwd hebt op de juiste fundering.
Tot besluit spreekt hij namens God een bemoediging uit: blijf bouwen op Jezus Christus, de rots waarop je kunt vertrouwen, dan zal je niet beschaamd uitkomen ongeacht welke storm er komt. Hij roept op tot volwassen geloof: niet blindelings volgen van mensen, maar zelf verantwoordelijkheid nemen in het woord van God, luisteren én handelen.
Als afsluiting: de kern is deze oproep – bouw je leven op de vaste rots van Jezus, niet op zand of wankele grond, zodat je standhoudt in de stormen van het leven.
Arie begint met te erkennen dat we een mooie ontmoeting hadden via liederen, aanbidding en getuigenis, maar dat hij ook bewust wil beginnen bij de zwaardere kant van het leven: gebrokenheid, verlies, pijn. Hij ziet hoe een vriend zijn vader plots verloor en hoe die pijn in iemands leven doorwerkt. Hij stelt de vraag: waarom sterven we? Hoe past dat in het beeld van God die in het begin zei: “Het was goed” (en zelfs “zeer goed”)?
Volgens Arie is de mens geschapen naar Gods beeld — met bewustzijn, met vermogen tot liefhebben — en liefde vereist vrijheid: de vrijheid om ja te zeggen én de vrijheid om nee te zeggen. In de tuin van Eden gaf God die keuze aan Adam en Eva, en het was geen slimmigheid van God dat er een boom stond waaraan niet gegeten mocht worden — het gaat erom dat echte liefde alleen kan bestaan als er keuzevrijheid is. Toen de mens uit eigen wil luisterde naar de slang in plaats van God, ontstond de breuk: de dood, lichamelijk en geestelijk, trad in de wereld. De relatie tussen God en mens werd gebroken.
Vervolgens gebruikt Arie teksten uit Romeinen 5 om uit te leggen dat door één mens — Adam — de zonde en de dood in de wereld kwamen, en door één Mens — Jezus Christus — het leven kan terugkomen. Waar Adam afstand bracht, herstelt Christus. Hierdoor leeft iemand die tot Christus komt niet meer onder de dood, maar al in het eeuwige leven, al is de lichamelijke dood nog aanwezig.
Hij richt dan de blik op Psalm 51, waarin koning David wordt geconfronteerd met zijn eigen zonde, zijn schuld erkent, en tot God roept om reiniging en vernieuwing. David ziet niet meer zichzelf als groot koning, maar als zondaar. Hij erkent dat hij geboren is in een gebroken wereld en dat hij van nature al in die realiteit leeft. Hij bidt: Schep in mij een rein hart, vernieuw mijn geest. Arie geeft aan dat dit de weg is uit schaamte, uit schuld, uit afstand — niet terug naar religie, maar naar een relatie met God, niet gebaseerd op eigen prestatie, maar gebaseerd op genade.
Arie brengt dan twee lagen van genade naar voren: de eerste genade is dat God ons vrijmaakt, ons vrije wil gaf, ons maakte om lief te hebben. De tweede genade is de genade die de eerste genade weer herstelt, die genade waardoor zelfs als we kiezen voor het verkeerde, God ons blijft liefhebben en ons uitnodigt opnieuw te kiezen voor de liefde. Hij benadrukt het belang van een bewuste keuze: vandaag opnieuw kiezen voor de liefde – zowel voor God als voor de naaste – ook al hebben we vaak gefaald, ook al voelen we ons onwaardig. Niet uit religieuze verplichting, maar vanuit een hart dat klopt voor God.
Hij deelt uit zijn eigen leven ervaring van groot verlies — zijn zoontje overleed te vroeg — en hoe hij in die duistere tijd God op een bijzondere manier heeft ervaren: God zei niet altijd hoorbaar iets, maar er was de zekerheid: “Hij is van Mij.” Dat bracht vrede temidden van onbegrip. Arie zegt helder: zelfs in het donker, zelfs bij het loslaten van de dierbaarste persoon, is God aanwezig; Hij verliest niet wat van Hem is. Je geloof is niet afhankelijk van begrip, maar van vertrouwen.
Hij sluit af met de kernboodschap: we leven in een gebroken wereld, de dood en de duisternis zijn echt, maar de boodschap van het evangelie is dat de dood niet het laatste woord heeft. Omdat Christus leven bracht, mogen wij leven als kinderen van God, niet omdat we foutloos zijn, maar omdat we kiezen om lief te hebben. En dus nodigt hij iedereen uit: kies opnieuw voor de liefde. Elke dag opnieuw. Waarom? Omdat Gods liefde groter is dan ons verdriet, groter is dan onze fouten, genade op genade.
Hij benadrukt dat dit geen ticket naar hemel is, maar een hart dat opnieuw klopt voor God – met liefde voor Hem, liefde voor de ander – en dat doet hij in vrijheid, niet in slavernij van religie. Zelfs als je boos bent op God of mensen, zelfs als je voelt dat je het niet meer kunt, kun je kiezen vóór liefde. En als je dat doet, zal God je overspoelen met genade, waardoor herstel mogelijk wordt, relatie mogelijk wordt, zelfs in het donker.
De preek “Gebruik je talenten” van Eugene gaat over de gelijkenis van de talenten uit Mattheüs 25, waarin Jezus vertelt over een heer die zijn dienaren elk een bepaald aantal talenten toevertrouwt voordat hij op reis gaat. Wanneer de heer terugkeert, blijkt dat twee dienaren hun talenten hebben verdubbeld door ermee te werken, terwijl de derde zijn talent in de grond heeft begraven uit angst en wantrouwen. Eugene legt uit dat deze gelijkenis niet slechts een oud verhaal is, maar een spiegel voor ieder van ons.
Hij benadrukt dat God ieder mens talenten en gaven heeft toevertrouwd – natuurlijke vermogens en geestelijke gaven – met het doel dat we ze gebruiken om anderen te dienen en zijn Koninkrijk te bouwen. Ieder ontvangt naar zijn of haar bekwaamheid, en God verwacht niet dat we meer doen dan we aankunnen, maar wel dat we trouw zijn met wat we hebben gekregen. Eugene waarschuwt dat angst, luiheid of teleurstelling ertoe kunnen leiden dat we onze talenten begraven, net als de derde dienaar. Dat gebeurt vaak wanneer mensen het geloof verliezen dat God iets waardevols in hen heeft gelegd of wanneer ze ontmoedigd zijn geraakt door mislukkingen of gebrek aan erkenning.
De kernboodschap is een oproep om de talenten die God ons heeft gegeven opnieuw op te graven en in te zetten. Eugene moedigt zijn luisteraars aan om niet te klein van zichzelf te denken en om het beeld dat ze van God hebben te herzien: Hij is geen strenge meester die oordeelt, maar een liefdevolle Heer die vreugde vindt in onze trouw en inzet. Wie met zijn talenten aan de slag gaat, zal overvloed ervaren en mag uiteindelijk de woorden horen: “Goed gedaan, goede en trouwe dienaar.”
De preek sluit af met een gebed waarin Eugene vraagt dat God iedereen helpt om zijn of haar gaven met vreugde te gebruiken, teleurstellingen te genezen en vertrouwen te herstellen, zodat ieder in zijn of haar omgeving een zegen kan zijn.
De preek van Leendert op 26 oktober 2025 draaide om het verhaal van Elia uit 1 Koningen 18 en 19. Hij begon met de scène op de berg Karmel, waar Elia het volk Israël confronteerde met hun verdeeldheid tussen de aanbidding van God en Baäl. Leendert benadrukte dat dit een spiegel is voor onze tijd: mensen durven vaak niet echt te kiezen voor God. Hij vergeleek de kleine christelijke gemeenschap in Tiel met Elia’s eenzame positie tegenover honderden Baälprofeten, maar net als Elia hoeven ook wij niet bang te zijn.
Toen Elia bad en vuur uit de hemel kwam, werd Gods macht zichtbaar. Leendert gebruikte dat moment om te wijzen op “timing”: het juiste moment waarop God handelt, en waarop wij moeten durven stappen in geloof. Toch volgt na de overwinning de wanhoop – Elia vlucht de woestijn in en vraagt God om zijn leven te nemen. Leendert liet zien dat ook wij zulke wisselende momenten kennen: eerst vol geloof en overwinning, daarna leeg en moe. Maar God komt opnieuw, niet in storm of vuur, maar in “het suizen van een zachte stilte”.
Die stilte, zei hij, is een plek van herstel. Leendert verlangde dat zijn gemeente zo’n plek zou zijn, waar mensen Gods stem horen in rust, maar ook weer uitgezonden worden. Het geloof is niet bedoeld om alleen te beleven in de stilte, maar om te delen in de wereld – in kleine daden van liefde, vriendelijkheid en zorg voor anderen.
Hij sloot af met het besef dat God vaak juist mensen gebruikt die zichzelf ongeschikt vinden. Geloof groeit niet door te ontvangen, maar door uit te delen. Wanneer we tijd, geld of liefde weggeven, vult God dat steeds weer aan. Uiteindelijk bad hij dat God de mensen in Tiel zou aanraken door de liefde en daden van gelovigen, zodat zichtbaar wordt dat Jezus Heer is.
Martien begint zijn preek met een herkenbare opening: hij staat weer voor de gemeente na lange tijd en reflecteert op de dierbare herinnering aan Stineke, die er niet meer is. Hij benadrukt dat, ondanks het gemis, hij vertrouwen houdt dat God voor deze gemeente zorgt en dat “het komt goed” — een plek om samen te komen zal er weer zijn, omdat die gemeente door God geplaatst is.
Hij brengt de opdracht van Jezus naar voren uit Matteüs 28: Jezus heeft alle macht in hemel en op aarde en geeft de opdracht om volgelingen te maken, te dopen en te onderwijzen, met de belofte dat Hij aanwezig blijft tot het einde der tijden. Deze “grote opdracht” is niet alleen voor de eerste discipelen, maar geldt ook voor ons vandaag: wij zijn discipelen die weer nieuwe discipelen mogen maken.
Een belangrijk thema is het verschil tussen kennis en liefde. Je kunt veel weten over regels en voorschriften—zoals de 613 geboden uit de Joodse traditie—maar zonder het hart erbij gaat het niet werken. Martien citeert Openbaring 2 waarin Jezus zegt dat de gemeente haar “eerste liefde” heeft verlaten. Hij vraagt zich af of geloven niet een automatische piloot is geworden—je leest de Bijbel, bidt, maar zonder innerlijke betrokkenheid. Hij herinnert aan het Woord in Efeziërs, waar Paulus schrijft hoeveel rijkdom we al hebben in Christus, zoals liefde, genade, verlossing en de Heilige Geest als onderpand van onze erfenis. Maar na dertig jaar blijkt de vurige liefde soms te vervagen.
Martien spreekt over uitdagingen waarmee veel christenen worstelen: problemen thuis, burn-out, psychische worstelingen, zelfs zelfmoord – allemaal niet bij ongelovigen maar bij gelovigen. Hij stelt de vraag: waar is de liefde gebleven? Hij deelt zijn eigen ervaring met ziekte, rouw om Stineke, zijn geloof dat hij vasthield, de hoop dat zij nu bij Jezus is. We kunnen veel meemaken, maar wat doe je ermee? Je kunt je richten op jouw omstandigheden, of je focussen op Jezus en zijn liefde – dat maakt het verschil.
Hij vraagt: hoe houd je die eerste liefde vast? Lezen van Gods Woord helpt daarbij, niet als een verplichting, maar als erin gezogen te worden, zoals beschreven in Johannes 8: “Als u in mijn woord blijft… u zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.” Verder verwijst hij naar Mattheüs 6 over bidden: niet toneelspel of lange formules, maar bidden in je binnenkamer, gewoon praten met God, vanuit het hart. En Hebreeën 4:16 moedigt aan vrijmoedig bij Gods troon te komen om genade te ontvangen.
Dan gaat het thema liefde naar elkaar toe: niet alleen van broeders en zusters, maar zelfs van je vijanden. Hij bekent dat ook hij dat moeilijk vindt, zeker met wat er gebeurt in Israël, maar als je gevuld bent met liefde, kan je zelfs voor vijanden bidden, zoals vervolgde christenen dat soms doen, en dat raakt hem diep. Hij onderstreept dat we nog niet volmaakt zijn en dat het een leerproces is—maar in ons geldt dat de volmaaktheid aanwezig is, de volwassenheid (ripeheid), de trouw en overgave aan de Heer, zoals het woord “volmaakt” in Matteüs 5:48 eigenlijk betekent.
Hij moedigt aan om elkaar niet te beschuldigen maar te ondersteunen: samen onderweg gaan, met begrip en liefde. Hij wijst op het gebed van Jezus in Johannes 17: als gelovigen één zijn, ziet de wereld dat Jezus is uitgezonden. Dat is het “plaatje van Jezus” – dat mensen dat aan je zien, ook in moeilijke tijden. Zijn eigen ervaring van ziekte en rouw was zo’n getuigenis: mensen vroegen hoe hij zo rustig kon zijn. Hij mocht uitleggen waarom: die liefde kent hoop, kracht, vertrouwen. Want je leven weerspiegelt het goede nieuws; het enige dat nodig is, is dat plaatje uitleggen—duidelijk en in begrijpelijke taal.
Hij besluit met een oproep om stil te worden, na te denken of je meer in je hoofd dan in je hart leeft, of jouw leven het plaatje van Jezus laat zien of jouw eigen plaatje. Hij bidt dat het juiste plaatje zichtbaar wordt, niet alleen binnen de gemeente, maar ook in de wereld. Hij nodigt mensen uit na afloop te delen, gebed te vragen, met elkaar verbonden te zijn. En zo sluit hij af met een uitnodiging tot gemeenschap, gebed, en het voortduren van dat levende geloof in liefde.
From the publisher's feed