Memento mori
O, jong en onbedorven vleesch
dat blank onder het laken lag,
bemin tot aan den jongsten dag,
totdat de hartstocht u begeeft.
laat het geklater van uw lach
weer stijgen als een zilvren zuil,
want eer ge 't weet, is 't lichaam vuil,
het vleesch verdord, de borsten slap;
de dag gekluisterd aan het dal,
de maan veroordeeld tot een vaalt,
wanneer zij door uw lichaam daalt,
de zon een rouw en een beklag.
bemin totdat de avondwind
de laatste purpren rozen vindt,
de jager schiet het laatste wild,
de schemering wordt grijs en groot.
bemin zoolang gij adem haalt,
want eer ge 't weet, vergrijst uw haar,
en wat eenmaal uw schoonheid was,
uw mond, uw gang, uw heerlijk haar,
neigt langzaam over naar het graf,
en in uw roekeloozen lachk
linkt uit een verte, snel gesmoord,
een echo door van een accoord,
dat ge eeuwig u verborgen dacht,
het lachen van den dood.