1
De weg der sterren opent mij,
mijn hart zoekt U, o Licht.
Ik richt mijn ogen naar het licht
dat Gij mij nu doet zien.
2
Wij zoeken vaak ons eigen pad,
en raken ons vuur kwijt.
Maar Gij roept zacht mijn ziel terug
tot liefde, licht en rust.
3
In mij zijn stof en eeuwigheid,
een stille vlam van U.
Gij wekt het licht dat in mij woont
en roept mij bij mijn naam.
4
Kies dan het pad dat liefde baant,
dat zacht is en vergeeft.
Bewaar mijn hart voor duisternis,
voor wat mij van U trekt.
5
Wie niet vergeeft, verliest zijn ziel,
wordt steen in donk’re nacht.
Maar wie het licht verkiest, wordt vrij
en wandelt niet alleen.
6
O Heer, verlicht mijn laatste stap,
wees mij altijd nabij.
Leid mij op weg van uw genâ
en maak mijn hart weer vrij.