Dinsdagochtend 2 december 1975. Een gewone stoptrein rijdt over de enkelsporige lijn van Groningen naar Zwolle, door de weilanden van Drenthe. Aan boord forensen, scholieren, mensen op weg naar hun werk. Dan gaat de noodrem erop.
Zeven zwaarbewapende Molukse jongeren kapen de trein midden tussen de akkers bij het dorp Wijster. Als machinist Hans Braam, dertig jaar, zijn cabine verlaat om te kijken wat er aan de hand is, schiet kaper Kobus Tuny met een Uzi dwars door de gesloten cabinedeur. Braam sterft ter plekke. Zijn lichaam wordt de trein uitgegooid en blijft dagenlang langs het spoor liggen.
In de twaalf dagen die volgen vallen nog twee doden. Leo Bulter, tweeentwintig jaar, dienstplichtig militair, wordt neergeschoten als het eerste geweld de regering niet doet zwichten. En op de derde dag wordt Bert Bierling, eenendertig jaar, econoom, in de deuropening van de trein geplaatst en daar doodgeschoten. Zijn lichaam belandt naast dat van Hans Braam langs de baan.
Het beslissende kwartier bij Wijster markeert het moment waarop een naoorlogse zekerheid in Nederland sneuvelde: het idee dat zwaar politiek geweld iets was voor het buitenland. Niet voor een weiland in Drenthe.
De Molukkers hadden een echt verhaal van onrecht. Zij werden in 1951 per dienstbevel naar Nederland gebracht na jarenlange trouwe dienst in het koloniale leger, met een belofte van tijdelijk verblijf die nooit werd waargemaakt. Een tweede generatie, opgegroeid in afgelegen woonoorden aan de rand van de Nederlandse samenleving, koos de weg van geweld.
Wat maakt dit kwartier beslissend? En wat als de gebroken beloftes nooit waren gemaakt?