6 mei 2002, begin van de avond. Op het Mediapark in Hilversum sluit Pim Fortuyn een radio-interview af. De man die in een paar maanden het hele politieke landschap openbreekt, wandelt naar zijn auto. Relaxed, in zijn element. De beveiliging is aanwezig maar niet op scherp. Het is Nederland — politici zijn benaderbaar, lopen tussen de mensen. Die openheid wordt zijn kwetsbaarheid.
Zes schoten op een parkeerplaats. In vijftien minuten verandert Nederland van een land dat politiek geweld als iets van elders beschouwt, naar een natie in shock.
Ergens op het terrein staat Volkert van der Graaf klaar. Geen opvallende figuur, geen bombastische verschijning. Juist die onzichtbaarheid maakt hem dodelijk. Om kwart over zes vallen de schoten. Wat volgt is een kwartier van chaos, ongeloof en razendsnelle informatiestromen. Beveiligers reageren, omstanders overmeesteren de dader, hulpverleners proberen Fortuyn te stabiliseren.
Binnen in de mediagebouwen verspreidt het nieuws zich als een schokgolf. Televisie-uitzendingen worden afgebroken. Nieuwslezers zoeken scriptloos naar woorden. In huiskamers, kantoren en kroegen vallen stiltes. De illusie dat politieke moorden niet bij Nederland horen, spat uiteen.
Dit is het verhaal van de keuzes, de seconden en het toeval die samen een kantelpunt vormen. Wat als de beveiliging een andere route had gekozen? Wat als iemand Van der Graaf eerder had opgemerkt? In een parallel universum stapte Fortuyn die avond gewoon in zijn Bentley. Maar dat universum is niet het onze.