’t Is middernacht en in de hof,
Buigt, tot den dood bedroefd, in ’t stof
De Levensvorst; in Zijn gebeên
Doorworstelt Hij zijn strijd alleen.
’t Is middernacht, maar hoe Hij lijd’,
Zijn jong’ren slapen bij die strijd;
En derven, afgemat in rouw,
De aanblik op des Meesters trouw.
’t Is middernacht, maar Jezus waakt,
En ’t zielelijden, dat Hij smaakt,
Bant uit Zijn hart de bede niet:
„Mijn Vader, dat Uw wil geschied’”.
’t Is middernacht, en ’t Vaderhart
Verstaat en sterkt de Man van smart,
Die ’t enig lijden, dat Hij torst
Ten eind doorstrijdt als Levensvorst.