
Sign up to save your podcasts
Or


» Lees dit nummer online
Met onder andere:
» In delen van Mexico is Coca-Cola goedkoper dan water
» Het gebruik van het woord ‘genocide’
» Dieren- en plantenpopulaties op de Weense begraafplaats
Bent u deze zomer een goede toerist geweest? Viel u in de categorie massatoerist of in die van de kritisch reiziger, die zich graag aanpast en zich bewust is van zijn impact? Hoe dan ook zal die impact u niet zijn ontgaan, deze zomer werden weer recordtemperaturen behaald en een recordaantal bosbranden gemeld in Zuid-Europa. Liggend op het strand of sjokkend over de fraaie tegels van een oud stadje of een mooie begraafplaats zult u regelmatig maar één behoefte hebben gehad: water. Zolang dat in de buurt is, is het uit te houden.
Toch is die levensbehoefte niet voor iedereen zomaar binnen bereik. In landen waar de overheid tekortschiet, betalen armen zelfs vaak meer voor water dan de rijken. En die grijpen dan naar andere middelen om goedkoop hun dorst te lessen, waarbij Coca-Cola favoriet is.
In landen waar de overheid tekortschiet, betalen armen zelfs vaak meer voor water dan de rijken
Voor een sterke reportage van het prachtige gelijknamige tijdschrift Reportagen reisde Andrew Müller een week lang met een tolk door de hooglanden van Chiapas in Mexico, waar het gebruik van cola inderdaad massale vormen heeft aangenomen; sommigen drinken wel tien flessen per dag en er zijn speciale clubjes opgericht om af te kicken. Hoewel cola er tegenwoordig ook in rituelen wordt gebruikt, was dat niet, zoals Müller op Wikipedia had gelezen, om daarna door te boeren demonen te kunnen verdrijven. Onzin, zei een zapatista die hij er ontmoette; ‘We weten natuurlijk dat Coca-Cola slecht is.’ Maar verandering vindt ‘poco a poco’ plaats; stukje bij beetje. De zapatistas, vrijheidsstrijders voor wie de slak een belangrijk symbool is, geloven in langzame, maar radicale verandering.
Een mooi voorbeeld van hoe culturen zich vervormen en vermengen, en ook van hoe daar fabels omheen ontstaan. Net als bij toerisme zijn er bij die vermenging twee opties: iets wordt uit praktische overwegingen uit een andere cultuur overgenomen, of het wordt er bewust aan ontleend. Het resultaat is hetzelfde, en die goede en slechte toerist bestaan volgens Enrique Rey uit El País dan ook helemaal niet. Zelfs de meest kritische reiziger ontkomt niet aan het systeem waar hij zich tegen afzet. Het beste is om dat maar onder ogen te zien.
Toch zijn er altijd dingen die geleidelijk maar radicaal veranderen, vanuit noodzaak of keuze. Zoals in Taiwan, waar de twee rivaliserende partijen elkaar onverwacht vinden als het aankomt op geothermie. Of in de Mississippi Delta, een ‘voedselwoestijn’ waar steeds meer mensen als gemeenschap gaan verbouwen. Op de Weense begraafplaats Zentralfriedhof zijn de veranderingen zeer bewust: hier worden kleine diertjes door hoveniers beschermd en door bezoekers gevoed. Zo wordt deze niet alleen voor mensen een toevluchtsoord, maar ook voor dieren en de natuur.
Laura Weeda
Kunstmatige intelligentie biedt enorme kansen voor bedrijven. Toch blijft grootschalige invoering uit. Slechts tien procent van de ondernemingen in de VS past AI daadwerkelijk zinvol toe, blijkt uit een onderzoek van United States Census Bureau. Hoe komt dat?
Laat de term ‘AI’ vallen bij grote ondernemers, en ze steken gloedvol van wal over het baanbrekende gebruik van kunstmatige intelligentie binnen hun organisatie. Recent zei Jamie Dimon van de Amerikaanse JP Morgan Chase dat zijn superbank over liefst 450 gebruiksscenario’s (use cases) beschikte. Yum! Brands, de fastfoodreus die onder meer Kentucky Fried Chicken en Taco Bell onder zijn vleugels heeft, stelt dat AI het nieuwe bedrijfssysteem van restaurants wordt. Booking.com dicht AI een belangrijke rol toe in het verbeteren van reizigerservaringen. En bijna de helft van de vijfhonderd grootste Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen (S&P 500) maakten melding van AI tijdens de toelichting van hun bedrijfsresultaten in het eerste kwartaal van dit jaar.
Wat de CEO’s ook mogen beweren, de AI-revolutie verloopt opvallend stroef. Volgens een hoogwaardig onderzoek van het United States Census Bureau (een onderdeel van het ministerie van Economische Zaken) gebruikt slechts tien procent van bedrijven AI op een zinvolle manier. ‘De toepassing door het bedrijfsleven valt tegen’, zo staat in een recent artikel van de bank UBS te lezen. Goldman Sachs houdt ondernemingen in de gaten die ‘de grootste groei in basisomzet door AI-toepassing zouden kunnen realiseren’, en die hebben het de afgelopen maanden niet best gedaan op de aandelenmarkt.
Vreemd. AI biedt zulke grote mogelijkheden dat het geld op straat ligt. Waarom rapen bedrijven dat dan niet op? De verklaring ligt in persoonlijke economische belangen.
Natuurlijk is AI nog pril. Je moet wat hobbels overwinnen om de technologie goed te gebruiken. De integratie van data in de cloud, bijvoorbeeld, vergt tijd. Dat viel te verwachten. Maar dan nog gaat het erg langzaam. Voorspelden analisten van de bank Morgan Stanley dat bedrijven AI al in 2024 breed zouden toepassen, daar is niet veel van terechtgekomen. Dit jaar zouden autonome systemen taken uitvoeren op basis van data en vooraf gedefinieerde regels. Niet dus. Volgens UBS hebben bedrijven tot op heden vooral veel koudwatervrees getoond. Misschien moeten we dieper graven om de oorzaak te vinden van die discrepantie tussen het enthousiasme van leidinggevenden en de traagheid op de werkvloer.
Economen die de ‘beleidskeuzetheorie’ propageren, stellen dat overheidsfunctionarissen hun eigen belangen boven die van de burger laten prevaleren. Bureaucraten kunnen bijvoorbeeld weigeren banen te schrappen als dit betekent dat hun vrienden zonder werk komen te zitten. Vooral grote bedrijven kampen soms met dergelijke problemen. Er is een verschil tussen ‘formeel’ en ‘werkelijk’ gezag, stelden Philippe Aghion van de London School of Economics en Jean Tirole van de Universiteit van Toulouse in de jaren negentig. Op papier is een CEO bevoegd om grootschalige organisatorische veranderingen op te leggen. In de praktijk hebben vooral middenmanagers het voor het zeggen. Zij kennen alle valkuilen van de dagelijkse bedrijfsvoering en kunnen veranderingen die van bovenaf worden opgelegd naar eigen inzicht interpreteren, vertragen of zelfs tegenhouden.
Bij de invoering van nieuwe technologieën speelt die beleidskeuzedynamiek vaak een rol. Joel Mokyr van Northwestern University stelt dat ‘technologische vooruitgang altijd al op krachtige weerstand heeft gestuit. Het gaat om een doelbewust, uit eigenbelang voortkomend verzet tegen nieuwe technologie.’ Frederick Taylor, een ingenieur die aan het einde van de negentiende eeuw deugdelijke managementtechnieken in de VS introduceerde, stelde dat machtsstrijd binnen bedrijven de invoering van nieuwe technologie dikwijls heeft belemmerd.
Wat gebeurt er met onze levensstandaard als kunstmatige intelligentie écht doorbreekt? De voorspellingen lopen sterk uiteen. ARK Invest noemt 7 procent jaarlijkse groei plausibel, Epoch AI denkt zelfs aan meer dan 20 procent. Ook wordt voorspeld dat de economie elke tien jaar zal verdubbelen; kinderen zouden honderden keren rijker worden dan hun ouders.
Uit recent onderzoek blijkt dat deze machtsstrijd nog steeds gaande is. In 2015 publiceerden David Atkin van het Massachusetts Institute of Technology en zijn collega’s een artikel over fabrieken in Pakistan die voetballen maakten. Wat hen vooral interesseerde was hoe het ervoor stond met een nieuwe technologie die voor minder verspilling zorgde. Na ruim een jaar constateerden ze dat de toepassing ervan ‘eigenaardig beperkt’ was. De nieuwe technologie maakte dat sommige werknemers langzamer gingen werken, die daardoor de vooruitgang in de weg stonden — onder meer doordat ze eigenaren onjuiste informatie gaven over de waarde van de technologie. Een andere studie, van Yuqian Xu van de University of North Carolina in Chapel Hill en Lingjiong Zhu van Florida State University, beschreef vergelijkbare conflicten tussen werknemers en managers bij een Aziatische bank die haar activiteiten probeert te automatiseren.
Conflicten over AI binnen bedrijven zijn nog nauwelijks onderzocht, maar lijken behoorlijk fel te zijn. Moderne ondernemingen in welvarende landen zijn opvallend bureaucratisch. In de Verenigde Staten hebben bedrijven inmiddels zo’n 430.000 interne juristen in dienst, tegenover 340.000 tien jaar geleden – een stijging die veel groter is dan die van de totale werkgelegenheid. Hun voornaamste taak is vaak om medewerkers te weerhouden van bepaalde handelingen. Mogelijk maken zij zich zorgen over de juridische risico’s van nieuwe AI-toepassingen: hoe bepaal je aansprakelijkheid als er iets misgaat en er nauwelijks jurisprudentie bestaat? Bijna de helft van de respondenten in enquêtes van UBS noemt regelgeving en naleving als grootste obstakels bij het implementeren van AI. Andere juristen buigen zich over de impact op gevoelige kwesties als gegevensbescherming en discriminatie.
Mensen in andere functies hebben ook zo hun zorgen. HR-medewerkers (van wie het aantal in de VS de afgelopen tien jaar met veertig procent is gestegen) zullen inzitten over het effect van AI op banen en om die reden obstakels opwerpen. Steve Hsu, een fysicus aan de Michigan State University en oprichter van een AI-startup, stelt dat veel mensen zich gedragen als de Pakistaanse voetbalfabrikanten. Managers uit het middenkader zijn beducht voor de langetermijngevolgen van AI. ‘Als het wordt ingezet om banen één echelon lager weg te automatiseren, zijn ze bang dat zij zelf op een dag aan de beurt zijn,’ zegt Hsu.
Op den duur zullen marktmechanismen er wel voor zorgen dat meer bedrijven serieus gebruik gaan maken van AI. Net als bij eerdere nieuwe technologieën, zoals de tractor en de personal computer, valt te verwachten dat innovatieve bedrijven de achterlopers uit de markt drukken. Maar dat kan nog even duren – misschien te lang voor de grote AI-bedrijven, die flinke rendementen nodig hebben op hun investeringen in datacenters. De ironie van arbeidsbesparende automatisering is dat mensen daarbij vaak een sta-in-de-weg zijn.
Over de hele wereld probeert de katholieke kerk de harten van jongeren terug te winnen. In Brazilië worden daar influencers, dj’s en twee dansende en zingende nonnen voor ingezet.
Het is feest in het klooster. Een breakdancer die zich voorstelt als de Wizard doet backflips. Een andere tolt rond op zijn rug. Een rapper, spotlights, twee cameramensen en een blitse Chevy met een geluidsinstallatie in de kofferbak en de bas op vol volume. En in het middelpunt: twee nonnen die in Brazilië plotseling sterren zijn geworden, zuster Marizele Rego en zuster Marisa Neves, omringd door danseressen compleet met kruis, habijt en nonnenkap.
Ze maken een videoclip voor hun nieuwe nummer ‘Vocação’: ‘Roeping’. Dat is een internethit sinds zuster Marisa enkele weken geleden in een katholiek tv-programma een dansje deed terwijl zuster Marizele het aanstekelijke refrein aanhief en begon te beatboxen. Dat tv-fragment ging meteen de wereld rond en werd tien miljoen keer bekeken. Gevolgd door memes, imitaties en optredens in talkshows. Whoopi Goldberg sprak in het tv-programma The View van een ‘real life Sister Act’.
Dus staan ze nu op de binnenplaats van hun klooster te playbacken, in een poging hun kortstondige roem te verlengen met een videoclip. God liet ze viraal gaan om meer jongeren naar de kerk te trekken, zeggen ze, en ze willen zijn missie volvoeren. ‘Hoe kon iets zo eenvoudigs en spontaans ineens zo groot worden?’ zegt zuster Marizele, die als zingende non al honderdduizend Instagram-volgers had voordat ze een wereldwijde sensatie werd. ‘Omdat de Heilige Geest de harten van de mensen wil raken.’
‘En naast de Heilige Geest,’ zegt ze erbij, ‘is er ook nog het algoritme.’ Zuster Marizele (46) en zuster Marisa (41) vertegenwoordigen een bredere beweging die binnen de katholieke kerk de teugels wat wil vieren, spontaner wil zijn en jongeren wil aanspreken waar ze zitten: online. Ook in Brazilië, het grootste katholieke land ter wereld, raakt de kerk al jaren gelovigen kwijt. Volgens cijfers die de overheid deze maand vrijgaf, noemt nog geen 57 procent van de tweehonderd miljoen Brazilianen zichzelf nu katholiek, tegenover 83 procent dertig jaar geleden. Katholieke influencers, zangers en popgroepen doen hun best om dat tij te keren. Sommige Braziliaanse priesters, gespierde, knappe en muzikale mannen, hebben al tientallen miljoenen volgers op Instagram. Zoals pater Marcelo Rossi, een van de bestverkopende Braziliaanse artiesten aller tijden. En katholieke dj’s spelen tegenwoordig elektronische muziek op zogenaamde katholieke raves, zoals in januari bij het enorme Christusbeeld in Rio de Janeiro.
Dit streven ligt in het verlengde van de charismatische vernieuwingsbeweging en andere groeperingen die al tientallen jaren proberen de katholieke kerk toegankelijker en aantrekkelijker te maken, en dat nu ook in het digitale domein doen. Volgende maand vinden in Rome met steun van het Vaticaan nieuwe evenementen plaats om katholieke influencers bij elkaar te brengen en prijzen uit te reiken aan katholieke artiesten die al zijn omschreven als ‘de katholieke Grammy’s’. Maar behalve de nieuwe paus kreeg in juni enkele dagen lang waarschijnlijk niemand meer aandacht dan zuster Marizele en Marisa.
De twee nonnen zijn lid van Copiosa Redenção (Overvloedige Verlossing), een vijfendertig jaar oude congregatie van zo’n tachtig nonnen en vijfentwintig broeders die jonge drugsverslaafden helpen af te kicken, waarbij ze kunst en muziek vaak als middel inzetten. Deze maand werd er in een klooster van de congregatie in Zuid-Brazilië veel gelachen. Vooral door zuster Marizele en Marisa. ‘Heb je wel een levensverzekering?’ vroeg zuster Marizele terwijl ze plaatsnam achter het stuur. Toen de auto over een helling snelde – ze waren bijna te laat voor de mis – gilde zuster Marisa het uit alsof ze in een achtbaan zat.
Het zijn allebei dochters van maïs- en sojaboeren in de landbouwstaat Paraná, en ze zijn allebei opgegroeid in een huis vol muziek. Een van haar broers hoefde maar muziek op te zetten, zegt zuster Marisa, en zij en veel van haar tien broers en zussen stopten met het werk op de akker en begonnen te dansen. ‘Alles waar maar op gedanst kon worden,’ zegt ze. Nadat ze op haar drieëntwintigste in het klooster was gegaan, is ze blijven dansen en heeft ze hiphop- en breakdancelessen gevolgd. Later kreeg ze een positie bij een katholieke tv-zender waarvoor ze soms verslag deed van evenementen, en soms in beeld een dansje deed met een priester.
Zuster Marizele komt uit een familie van muzikanten. Haar grootvader bouwde gitaren en haar tantes zongen op de radio. Ze werd non op haar vijfentwintigste, nadat haar moeder door een wonder van kanker was genezen. Daarna zong ze geregeld op religieuze retraites en heeft ze met een aantal andere zusters een gospelalbum opgenomen.
De twee leerden elkaar kennen in 2007 en het was al snel duidelijk dat het klikte. ‘Je hoeft maar een beat te beginnen en zij begint te dansen,’ zegt zuster Marizele over zuster Marisa. Beatboxen heeft ze zichzelf geleerd, zodat ze de andere nonnen tijdens het zingen van ritme kon voorzien. ‘Ik begon gewoon ritmes te maken met mijn mond,’ zegt ze. ‘Ik wist niet eens dat zoiets beatboxen heet.’ Gaandeweg beseften ze dat beatboxen en hiphop iets is wat de jonge vrouwen in de afkickcentra aanspreekt. Die komen vaak van de straat en hebben weinig gemeen met de nonnen. ‘Het is een middel om contact te maken en muren te slechten,’ zegt zuster Marizele.
Vanwege die aantrekkingskracht werden zuster Marizele en Marisa door de congregatie aangewezen voor de werving van nieuwe nonnen, in een tijd waarin steeds minder vrouwen voor een leven in het klooster kiezen. Volgens het Center for Applied Research in the Apostolate, een non-profitorganisatie die onderzoek doet naar de katholieke kerk, is het aantal nonnen in de VS de afgelopen twintig jaar bijvoorbeeld met de helft gedaald tot circa 36.000. Het aantal priesters is in diezelfde periode met 18 procent gedaald tot 34.000.
Op 20 mei kwamen zuster Marizele en Marisa in een katholieke talkshow praten over een retraite waarmee ze nieuwe nonnen willen werven. Zuster Marizele begon daar ‘Vocação’ te zingen, een jaren geleden door haar congregatie geschreven lied over de roeping van de non. Maar ze had er een nieuwe hook aan toegevoegd: ‘Voc-a-çao, oh, ohh’. En zuster Marisa moest toen wel een dansje maken, zegt ze. Ze stonden op en zuster Marizele begon te beatboxen. Buiten beeld werd de diaken die hen interviewde door de regisseur aangespoord om mee te doen, zegt zuster Marisa, die de regieaanwijzingen in haar oortje kon horen. De diaken had het ritme al snel te pakken en volgde de passen van zuster Marisa op de voet. Dat moment, samengebald in een clipje van dertig seconden, bleek op internet goud waard. Volgens de data-analisten van Tubular is het alleen al op TikTok meer dan 34 miljoen keer bekeken. Al snel stroomden van heinde en ver de interviewverzoeken binnen.
De oudere nonnen in het klooster roken hun kans. Zuster Daniely Duarte Santos, hoofd communicatie van de congregatie, riep een collega terug van vakantie, en om de ontstane aandacht optimaal te benutten begonnen ze het filmpje herhaaldelijk op sociale netwerken te plaatsen. Binnen enkele dagen hadden al ruim vijftig vrouwen geïnformeerd naar de mogelijkheid om non te worden. Normaliter werven ze maar een handjevol nieuwe leden per jaar.
Ze schakelden een lokale dj in om een muziektrack te maken, en tussen de interviews door nam zuster Marizele de zangpartij op. Het resultaat, met bas en synthesizers en al, is volgens zuster Marizele ‘technopop’. Het nummer bestormde de Braziliaanse ranglijst van katholieke muziek op Spotify. Zuster Marizele en Marisa waren overal op tv te zien met hun beatbox en hun dansje. Ze maakten de clip, geregisseerd door zuster Daniely, met een headset onder haar nonnenkap. Op straat worden ze staande gehouden door fans die om een selfie vragen. ‘Wij vragen één weesgegroetje per foto,’ zegt zuster Marizele.
AI kan grote hoeveelheden gegevens analyseren en antwoorden afstemmen op een specifiek doel. Hierdoor kan het desinformatie verspreiden, maar chatbots kunnen nu ook patronen in nepnieuws herkennen en effectieve strategieën ontwikkelen om het tegen te gaan.
Het internet maakt het makkelijker dan ooit om complottheorieën op te doen en te verspreiden. En al zijn sommige onschuldig, andere kunnen zeer schadelijk zijn, doordat ze onenigheid zaaien en zelfs leiden tot onnodige sterfgevallen. Nu denken onderzoekers een nieuw hulpmiddel te hebben ontwikkeld om valse complottheorieën te bestrijden: AI-chatbots. Onderzoekers van MIT Sloan en Cornell University ontdekten dat chatten over een complottheorie met een groot taalmodel (LLM) het geloof van mensen erin met ongeveer 20 procent deed afnemen, zelfs bij deelnemers die wat zij geloofden belangrijk zeiden te vinden voor hun identiteit. Het onderzoek werd recentelijk gepubliceerd in het tijdschrift Science.
De bevindingen kunnen een belangrijke stap voorwaarts betekenen om mensen die zulke ongefundeerde theorieën aanhangen te bereiken en tot zinnen te brengen, zegt Yunhao (Jerry) Zhang, een postdoc die is verbonden aan het Psychology of Technology Institute en daar de invloed van AI op de samenleving bestudeert.
De Nobelprijs voor Natuurkunde is dit jaar door de Amerikaan John Hopfield en de Canadees Geoffrey Hinton gewonnen. Hun ontdekkingen hebben zelflerende machines mogelijk gemaakt en zijn essentieel geweest voor de ontwikkeling van AI-systemen zoals ChatGPT.
Het Nobelcomité benoemt dat de doorbraken op het gebied van machinaal leren van Hopfield en Hinton een volledig nieuwe manier laten zien waarop we computers kunnen gebruiken om ons te helpen en te begeleiden bij het aanpakken van veel van de uitdagingen waar onze maatschappij voor staat, schrijft The New York Times.
Er zijn maar weinig methoden die aantoonbaar invloed hebben op de denkwijze van complottaanhangers, zegt Thomas Costello, onderzoeker aan MIT Sloan en hoofdauteur van de studie. Wat het onder andere zo moeilijk maakt, is dat verschillende mensen vasthouden aan verschillende gedeelten van een theorie. Dat betekent dat het aanvoeren van bepaalde stukjes feitelijk bewijs weliswaar effect op de een heeft, maar bij een ander niet altijd werkt.
Hier komen AI-modellen in het spel, zegt hij. ‘Ze hebben toegang tot een enorme hoeveelheid informatie over diverse onderwerpen en zijn getraind op het internet. Daarom zijn ze in staat feitelijke tegenargumenten te genereren tegen specifieke complottheorieën.’
AI-modellen zijn in staat feitelijke tegenargumenten te genereren tegen specifieke complottheorieën
Aan deelnemers werd gevraagd informatie te delen over een complottheorie die zij geloofwaardig vonden. Waarom werden ze erdoor aangetrokken? Door welke bewijzen werd de theorie volgens hen gestaafd? De antwoorden werden gebruikt om steeds de meest toepasselijke reactie van de chatbot uit te lokken, die door de onderzoekers werd ingesteld om zo overtuigend mogelijk te zijn.
De deelnemers werd ook gevraagd hoezeer ze overtuigd waren van de juistheid van hun complottheorie op een schaal van 0 (beslist onjuist) tot 100 (beslist juist), en vervolgens aan te geven hoe belangrijk de theorie was voor hun begrip van de wereld. Daarna traden ze in drie rondes in gesprek met de AI-bot. Er werd door de onderzoekers voor drie rondes gekozen om er zeker van te zijn dat ze genoeg zinnig materiaal verzamelden.
Na ieder gesprek werd aan de deelnemers opnieuw gevraagd hun vertrouwen in de theorie aan te geven. Vervolgens benaderden de onderzoekers alle deelnemers tien dagen na het experiment, en twee maanden later nog eens, om te beoordelen of hun inzichten na het gesprek met de AI-bot waren veranderd. De deelnemers gaven aan gemiddeld 20 procent minder geloof te hechten aan de door hen gekozen complottheorie, waaruit geconcludeerd kan worden dat sommigen na hun gesprekken met de bot fundamenteel van mening waren veranderd.
In zijn nieuwste boek Nexus: A Brief History of Information Networks from the Stone Age to AI waarschuwt Harrari voor de negatieve kant van kunstmatige intelligentie. De auteur van de bestseller Sapiens waarschuwt voor de verraderlijke gevaren van machinaal leren en het vermogen om de waarheid te manipuleren. ‘Het enge aan de AI-revolutie is dat er voor het eerst gereedschap is ontwikkeld dat in staat is om zelf beslissingen te nemen en ideeën te genereren’, aldus Harari in The Guardian.
‘Zelfs in een laboratoriumsetting is 20 procent een enorme score als het gaat om het veranderen van menselijke overtuigingen,’ zegt Zhang. ‘Misschien was het in de echte wereld minder geweest, maar ook 10 procent of 5 procent zou nog aanzienlijk zijn.’
De auteurs probeerden de neiging van AI-modellen om informatie te verzinnen – het zogenaamde ‘hallucineren’ – te ondervangen door een professionele factchecker in te zetten om de nauwkeurigheid van 128 AI-claims te evalueren. 99,2 procent ervan bleek juist te zijn, terwijl 0,8 procent als misleidend werd beoordeeld. Geen enkele bleek volkomen onjuist te zijn.
Een verklaring voor dit hoge nauwkeurigheidsgehalte is dat er een heleboel over complottheorieën op het internet is geschreven, waardoor ze heel ruim in de trainingsdata van het model figureerden, zegt David G. Rand, hoogleraar aan MIT Sloan en ook betrokken bij het project.
‘Mensen waren opmerkelijk ontvankelijk voor bewijs. En dat is echt belangrijk,’ zegt hij. ‘Bewijs doet ertoe.’
Als woordvoerder van een brede culturele beweging riep onder andere de Ierse auteur Sally Rooney in oktober op tot een boycot van Israëlische culturele instellingen, bedoeld als solidariteitsactie met de Palestijnen. Maar is het niet juist van het grootste belang om elkaars boeken te lezen? vragen twee literair agenten zich af.
Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in The New York Times op 31 oktober 2024.
Joden staan bekend als het volk van het boek. Wat niet veel mensen weten, is dat deze benaming haar oorsprong heeft in de islam en verwijst naar degenen die het goddelijke woord van Allah in schriftvorm hebben ontvangen. Onder Joden is dit een geuzennaam geworden, die de herinnering oproept aan een volk dat met zijn neus in de boeken zit terwijl de wereld aan hen voorbijtrekt, dan wel hen vervolgt. Het is des te verontrustender dat een groep auteurs, onder wie Sally Rooney, Jhumpa Lahiri en Jonathan Lethem, een open brief heeft ondertekend die oproept tot een boycot van Israëlische culturele uitingen en instellingen zoals uitgeverijen, festivals, literaire agentschappen en publicaties, die ‘medeplichtig [zouden] zijn aan het schenden van de Palestijnse rechten’. Wij zien dit als een contraproductieve en misleidende afwijzing door mensen die wij beschouwden als onze medestanders in een heilige missie: boeken voortbrengen.
Deze aanval op de cultuur verdeelt juist die mensen die een directe dialoog zouden moeten voeren en elkaars boeken zouden moeten lezen. De oplossing voor het conflict kan onmogelijk liggen in minder lezen in plaats van meer. Wat hopen deze auteurs, die normaal gesproken fel tegen boekverboden en ‘zuiveringsacties’ op bibliotheken zijn, met deze boycot te bereiken?
We leven in angst over wat deze oorlog heeft veroorzaakt, hier, in Gaza en in Libanon
Als literair agenten in Jeruzalem hebben wij de afgelopen vijfendertig jaar een klein, onafhankelijk bureau opgebouwd, met partnerschappen in meer dan vijftig landen. Onze missie is om de Israëlische literatuur internationale bekendheid te geven. Onder onze klanten bevond zich David Grossman, winnaar van de Man Booker International Prize 2017. Yuval Noah Harari’s Sapiens werd in meer dan zestig talen vertaald. Onze schrijvers verdiepen zich in de complexe structuur van het Israëlische leven en hebben daar een internationale reputatie mee opgebouwd en vele lezers mee geïnspireerd. Meir Shalev, Yehuda Amichai, Tom Segev, Zeruya Shalev, Matti Friedman en Hila Blum staan bekend om hun scherpe blik waarmee ze de gevestigde orde uitdagen.
Sommige lezers beschouwen deze column misschien als een klacht van de bevoorrechte Israëlische creatieve klasse. Maar als ze denken dat wij de oorlog in Gaza goedkeuren, dat wij hier comfortabel en stilzwijgend zitten toe te kijken, dan zien ze blijkbaar niet in hoe wanhopig veel Israëliërs verlangen naar een einde aan deze oorlog. We zijn getraumatiseerd, begraven onze doden en leven in angst over wat deze oorlog heeft veroorzaakt, hier, in Gaza en in Libanon. Als zij deze dingen niet weten, lezen de schrijvers die deze brief hebben ondertekend dan überhaupt?
Hoe urgent deze open brief ook is, het is nu al meer dan tien jaar geleden dat er een kou neerdaalde over de wereld van de Israëlische literatuur. Wij hebben het geweten. Onze boeken werden op beurzen en bij onderhandelingen afgewezen. Onze inboxen vulden zich met e-mails van redacteurs die openlijk minachting toonden voor al wat Israëlisch was. De poorten werden al lang voor deze laatste oorlog gesloten.
Deze afwijzing zal enkel voordeel opleveren aan nationalistische partijen, die zulke boycots misbruiken voor hun eigen politieke gewin. Wanneer Israël geïsoleerd raakt, worden de extremisten in het land alleen maar sterker.
In boekwinkels over de hele wereld staat bij de ingang vaak een ‘Israëlisch-Palestijnse tafel’. De oorlog houdt iedereen bezig, dus waarom zouden winkeliers daar geen slaatje uit slaan? Maar de selectie op deze tafel onthult vaak de gevaarlijke kortzichtigheid van boekverkopers die in naam van de Palestijnen denken te handelen.
Op de meeste van die tafels is met name het Palestijnse verhaal vertegenwoordigd. Deze boeken moeten gepubliceerd worden; sterker nog, wij hebben enkele van deze auteurs zelf vertegenwoordigd. Maar de weinige Israëlische boeken die de tafels halen, beslaan slechts een klein hoekje: geschiedenis, politiek, actualiteit, romans en verhalen – een schamel aanbod dat een volk en zijn cultuur vertegenwoordigt, hun verhalen, hun geheimen en getuigenissen. En dat aanbod krimpt. Joodse en Israëlische schrijvers hebben moeite om nog een uitgever te vinden.
Je kunt de vreselijke tragedie van dit land niet begrijpen als je alleen de literatuur van één kant leest
De meest recente bestseller van Sally Rooney heet Intermezzo, een woord dat een onderbreking beschrijft tussen twee delen van een muziekstuk. Het gaat over de wisselwerking tussen twee broers en de verbondenheid die er ondanks de afstand tussen hen bestaat.
Je kunt een probleem niet oplossen door slechts één kant van de vergelijking te bekijken. Je kunt de vreselijke tragedie van dit land niet begrijpen als je alleen de literatuur van één kant leest. Je kunt de Palestijnse rechten niet bepleiten door degenen die voor hen willen vechten uit te sluiten van het enige slagveld waar die rechten kunnen worden verworven.
Deze aanval op de Israëlische uitgeverswereld is een uiting van dwaze wrok die haaks staat op de essentie van literatuur – alsof wij de mogelijkheid hebben om over een staakt-het-vuren te onderhandelen of premier Benjamin Netanyahu af te zetten. Als je echt gelooft dat boeken de kracht hebben om hart en ziel te beroeren, waarom zou je, in plaats van een boycot te steunen, dan niet proberen die kracht op een constructieve manier in te zetten en die culturele instellingen te gebruiken om namens de Palestijnen je zaak te bepleiten?
Aan de auteurs die niet willen dat hun boeken in het Hebreeuws worden vertaald, die niet willen dat Israëli’s lezen wat zij te zeggen hebben, en aan de auteurs die niet willen dat de internationale gemeenschap de Israëli’s leest die, in de kern, hun bondgenoten zijn: je handelt niet alleen in strijd met je eigen belangen, maar ook in strijd met je idealen.
Je kunt alleen een culturele boycot van Israëlische literaire instellingen voeren als je gelooft dat wij sowieso geen bestaansrecht hebben. En als dat je standpunt is, is het niet je intentie om dit conflict op te lossen, het lijden te verlichten en een onafhankelijk Palestina in te luiden. In dat geval pleit je ervoor de andere inheemse bevolking van deze plek te verdrijven, de mensen over wie je blijkbaar heel weinig leest.
Deborah Harris is oprichter en directeur van de in Jeruzalem gevestigde Deborah Harris Agency.
Jessica Kasmer-Jacobs is in Jeruzalem werkzaam als literair agent.
In een landbouwgebied waar de meeste gewassen voor de export zijn bedoeld, kiest een groeiend aantal boeren er nu voor om gewassen te verbouwen voor de lokale bevolking.
Dorothy Grady trekt aan een plukje groen dat de kop heeft opgestoken in een van de vele met aarde gevulde emmers op de oprit van haar huis. Er komt een stevige wortel tevoorschijn, van een centimeter of twaalf. Een stukje verderop groeit een saliestruik in een andere emmer, een lage kweekzak zit vol lente-uitjes.
Over een week of drie begint voor Grady het voorjaarsseizoen op het land dat ze bewerkt in en om Shelby, in Mississippi. Haar land omvat ook twee stukken grond bij de inmiddels gesloten school aan de overkant van de straat, een kleine boomgaard met perziken en peren even verderop in de straat, en nog twee hectare buiten de stad. Grady staat op het punt om aubergines, meloenen, tomaten en een scala aan andere gewassen te planten die uiteindelijk op het bord belanden van 127 mensen uit de buurt.
Shelby ligt een paar kilometer ten oosten van de Mississippi en is omgeven door vlakke, vruchtbare landbouwgrond. Maar Grady’s groenten en fruit behoren tot de weinige gewassen die bestemd zijn voor de plaatselijke bevolking. De overgrote meerderheid van de boeren in de Mississippi Delta is gespecialiseerd in handelsgewassen zoals soja en maïs.
Grady is een van de ongeveer tien lokale telers die leveren aan Delta GREENS, een gezamenlijk onderzoeksproject dat verse ingrediënten levert aan inwoners met diabetes in de counties Bolivar, Sunflower en Washington. Vervolgens worden de effecten op de gezondheid in kaart gebracht. Dit ‘voedsel is medicijn’-project is een van de initiatieven in deze westelijke regio van Mississippi om boeren te steunen en om de markt voor lokale producten te vergroten. Het mes snijdt aan twee kanten: de voedzame voedingsmiddelen komen binnen het bereik van de lokale bevolking én de kleinschalige boeren die ze verbouwen krijgen een steuntje in de rug.
‘Ons streven is een coöperatieve ontwikkeling tussen de verschillende landbouwbedrijven,’ zegt Julian Miller, oprichter en directeur van het Reuben V. Anderson Institute for Social Justice in Jackson. Miller is ook een van de belangrijke onderzoekers bij Delta GREENS, en hij maakt zich al sinds jaar en dag sterk voor lokaal voedsel in de Delta-regio. ‘Uiteindelijk willen we landbouwers de capaciteit bieden om op te schalen en een bredere markt aan te boren.’
De 300 kilometer lange Delta-regio, gelegen op de vruchtbare uiterwaarden tussen twee rivieren, de Mississippi en de Yazoo, heeft een rijke agrarische geschiedenis. Ooit stond het gebied bekend om de katoenteelt, maar tegenwoordig wordt het getekend door velden waar voren in zijn getrokken, waarin gewassen worden verbouwd die worden verwerkt tot diervoeding of ethanol.
‘Die traditie, om je eigen voedsel te verbouwen, is verloren gegaan’
In het verleden verbouwden veel inwoners van de Delta groente en fruit, zegt Miller, maar in de loop der tijd is die praktijk onder druk komen te staan door mechanisatie en een verlies aan landbouwgrond. Miller, een vijfdegeneratieinwoner van de Delta, die een paar kilometer van Shelby is opgegroeid, heeft nooit iemand gekend met een eigen moestuin. ‘Die traditie, om je eigen voedsel te verbouwen, is verloren gegaan.’
Ondanks een overvloed aan vruchtbaar land wordt maar een heel klein deel ervan gebruikt voor eetbare gewassen. Zo’n negentig procent van het voedsel dat hier in de regio wordt gegeten, wordt elders verbouwd en vervolgens geïmporteerd. ‘Dat is het schrijnende,’ zegt Miller.
Zelfs geïmporteerd vers voedsel is soms moeilijk te verkrijgen. Sinds 2021 staan 63 van de 82 counties in Mississippi te boek als zogeheten ‘voedselwoestijnen’, wat wil zeggen dat er in de directe omgeving geen winkel of andere mogelijkheid is om aan verse ingrediënten te komen.
Deze regio wordt gekenmerkt door grote verschillen in gezondheid en door een grote inkomensongelijkheid. In Bolivar, Sunflower en Washington – de counties waar het Delta GREENS’ onderzoek zich specifiek op richt – leeft bijna een derde van de inwoners op of onder de armoedegrens. Ondertussen komt er twee keer zo veel diabetes voor als het landelijk gemiddelde.
Deze combinatie van een grote economische ongelijkheid en aanzienlijke verschillen op het gebied van gezondheid, en daarnaast ook nog eens een gebrek aan voedselsoevereiniteit, is de motor geweest achter de pogingen om de traditie van het voedsel verbouwen weer in ere te herstellen, onder aanvoering van telers zoals Grady. Grady, een kind van pachters, herinnert zich dat haar ouders altijd een moestuintje hadden en dat er groente en fruit werd geruild met buren. Ze is al betrokken bij het uitbouwen van de lokale voedselbeweging in de Delta sinds de jaren 1990, toen ze begon met schooltuinprojecten.
Niet alleen heeft ze geholpen om honderden moestuintjes op te zetten voor scholen en kerken in de wijde omgeving, ze heeft bovendien haar eigen landbouwproject uitgebouwd, en inmiddels gaat haar oogst naar de mensen die in en om Bolivar County wonen. Vorig jaar hebben haar perzik- en perenbomen zo’n 900 kilo fruit opgebracht, wat naar plaatselijke scholen is gegaan en via groente- en fruitpakketten is gedistribueerd onder deelnemers aan het Delta GREENS-onderzoek.
Deze wekelijkse groentepakketten zijn een middel om een van de structurele problemen te ondervangen bij het ontwikkelen van een lokaal voedselsysteem, legt Miller uit: het ontbreken van een structurele markt. Hoewel veel mensen graag meer lokale producten willen eten, hebben telers geen betrouwbare distributielijnen om hun producten bij de mensen te krijgen. Maar met voedsel- en voedselveiligheidsprojecten, die producten betrekken van lokale boeren, worden deze bedrijfjes nu geholpen om op te schalen.
Het verbouwen van groente en fruit is ingewikkelder dan het telen van handelsgewassen, legt Pollard uit
Zo’n zestig kilometer ten noordoosten van Shelby is Robbie Pollard druk in de weer met het planten en verzorgen van meer dan vier hectare groente- en fruitgewassen.
Pollard is opgegroeid met het telen van gewassen – zijn opa verbouwde handelsgewassen. Maar naar eigen zeggen wist hij maar weinig van het verbouwen van voedsel totdat hij het zelf ging proberen, in zijn achtertuin. Het bleek een roeping te zijn, zegt hij, en al snel zegde hij zijn baan in de IT op om zich er fulltime op te richten.
Het verbouwen van groente en fruit is ingewikkelder dan het telen van handelsgewassen, legt Pollard uit. Om te beginnen is het arbeidsintensiever – met de hand wieden, verzorgen en oogsten. Handelsgewassen kunnen vaak direct bij de lokale groothandel worden afgeleverd, maar met groente en fruit ligt dat ingewikkelder. Zoals Pollard zegt: ‘Wij moeten zelf op zoek gaan naar onze markten.’
Pollard heeft verschillende manieren gevonden om zijn producten te distribueren via zijn boerderij, Start 2 Finish, en via zijn daaraan gelinkte gezondheidsvoedingsinitiatief Happy Foods project. Momenteel is hij een van de belangrijkste telers die leveren aan Delta GREENS, en daarnaast levert hij aan vergelijkbare projecten die huishoudens op regelmatige basis voorzien van pakketten met lokale producten. Hij levert ook aan Northern Mississippi FoodRx, weer een ander voedselproject, in samenwerking met de University of Mississippi. Deze zomer gaat hij ook voedsel distribueren via een mobiele markt, en onlangs is hij begonnen met de verkoop via een net geopende supermarkt in Clarksdale, die zich sterk richt op lokale producten.
De groente- en fruitpakketten bieden hem de mogelijkheid zijn boerderij geleidelijk uit te bouwen door jaarlijks te investeren in kleine verbeteringen. Zo deed hij in het begin alles met de hand, later met een grondfrees en inmiddels met een kleine tractor. Hij pacht nu twintig hectare landbouwgrond. Vorig jaar heeft hij twee hectare verbouwd. Dit seizoen heeft hij meer dan vier hectare ingezaaid, en hij heeft plannen om de hydro- en aquaponic-capaciteit uit te breiden. Hij hoopt binnenkort een samenwerking aan te gaan met andere lokale telers om in het hele gebied een aantal verschillende technieken uit te proberen.
Tyler Yarbrough, projectmanager van het Mississippi Delta-project voor de landelijke organisatie Partnership for a Healthier America, heeft samen met Pollard aan verschillende projecten gewerkt om de lokale voedselbeweging in de regio te versterken. Een van die projecten betrof het gedurende een beperkte tijd leveren van producten aan lokale huishoudens – zoals Good Food at Home, dat zo’n 500.000 wekelijkse groente- en fruitpakketten heeft geleverd aan gezinnen in de omgeving, waarbij elk huishouden in aanmerking kwam voor twaalf weken. Via dit soort kortlopende projecten kunnen telers stappen zetten naar een stabielere bedrijfsvoering, terwijl bij de consument de vraag naar lokale producten wordt gestimuleerd.
‘Je kunt het gebruiken om de consistentie te vergroten en om die markten dichter naar je toe te halen,’ aldus Yarbrough.
‘Het gaat erom dat je alle lijntjes in de markt met elkaar verbindt, het moet een holistische benadering zijn’
Hoewel de groente- en fruitpakketten een succes zijn, leveren ze de boeren het meeste op als ze worden gecombineerd met andere initiatieven, zegt Yarbrough. Het is cruciaal om de telers flexibiliteit te bieden wat betreft de financiering zodat ze alles in de loop der tijd kunnen uitbouwen.
‘Het kan niet alleen maar één ding zijn,’ zegt Yarbrough. ‘Je moet het koppelen aan financiering zodat deze boeren ook echt de capaciteit van hun bedrijf kunnen vergroten. Het gaat erom dat je alle lijntjes in de markt met elkaar verbindt, het moet een holistische benadering zijn.’
Binnen de Delta-regio staat de lokale voedselbeweging nog voor veel uitdagingen, aldus Natalie Minton, een onderzoekster die is verbonden aan de University of Mississippi en die samen met Pollard de lokale voedselmarkt bestudeert. Ook werkt ze voor North Mississippi Food Rx. Telers hebben moeite om arbeiders te vinden – en te betalen. En zonder betrouwbare markt is het heel moeilijk om het bedrijf uit te bouwen.
Ook omgevingsfactoren spelen een rol. Nog los van het extreme weer, zoals droogte en zware stormen, krijgen ze te maken met problemen die zijn gerelateerd aan het dominante handelsgewas. Voor de handelsgewassen wordt stelselmatig gebruikgemaakt van pesticiden en chemicaliën, die schadelijk zijn voor de voedselgewassen.
Maar toch, zegt Minton, zie je dat veranderingen in het lokale voedselsysteem voet aan de grond krijgen. Het succes van boeren als Pollard laat zien dat specialistisch telen een levensvatbare toekomst kan bieden.
Voor projecten die afhankelijk zijn van beurzen en financiering van buitenaf is er nog een grote uitdaging bij het werken met federale programma’s, zegt Miller. Lokale voedselsystemen staan zwaar onder druk nu Trump diep heeft gesneden in de overheidsuitgaven, waaronder ook subsidies om het kopen van lokale producten te bevorderen. Delta GREENS wordt gefinancierd door de National Institutes of Health, en volgens Miller is het onzeker of die steun gecontinueerd zal worden.
Ondanks alle onzekerheid is de lokale voedselindustrie in de Mississippi Delta uniek omdat het allemaal lokaal wordt aangestuurd, zegt Marlene Manzo van HEAL Food Alliance, een voedselrechtvaardigheidscoalitie die werkt met groepen uit het hele land, waaronder Mississippi Fresh. Volgens Manzo toont de groei van de lokale voedselvoorziening in de Mississippi Delta de kracht van initiatieven op kleine schaal, die veranderingen in gang kunnen zetten die echt aansluiten bij de gemeenschap.
‘Wat in ieder geval duidelijk is, is dat het genereren van collectieve kracht binnen onze gemeenschappen en binnen regionale systemen echt van wezenlijke, blijvende invloed kan zijn,’ zegt ze.
Grady bespeurt een verschuiving binnen de gemeenschap. Ze kent steeds meer mensen, onder wie ook familieleden, die zelf voedsel gaan verbouwen. Een voormalige student is nu kok op een school in de buurt. Hij heeft een moestuin en gebruikt wat hij verbouwt in de schoolkeuken.
‘Dat andere mensen nu ook dit soort dingen gaan doen is de mooist denkbare beloning,’ zegt ze.
Brussel geeft elk jaar meer dan 10 miljard euro uit om innovaties te stimuleren. Maar dat geld stroomt niet naar start-ups, het subsidieert oude bedrijven. Slechts een fractie ervan zou effectief worden besteed.
Europa doet het momenteel goed op de beurs, maar dat ligt meer aan de onberekenbare politiek van Donald Trump dan aan de vooruitzichten van de EU-ondernemingen. Wie wat beter kijkt, beseft dat het continent waar het op technologische vooruitgang aankomt ver is achtergebleven bij de concurrentie. In de digitale economie domineren de tech-giganten uit de VS, van Google tot Microsoft. En in traditionele sectoren zoals de auto-industrie, chemische industrie en machinebouw is China Europa inmiddels voorbijgestreefd. Economen spreken van een technologieval, of preciezer: de mid-technologie-trap.
Daar zijn veel redenen voor, zoals de voormalige minister-presidenten van Italië Mario Draghi en Enrico Letta vorig jaar in twee lijvige rapporten aan de EU-commissie hebben voorgerekend. De EU-landen investeren te weinig, de kapitaalsector is onderontwikkeld en de interne markt is nog altijd gefragmenteerd. Dat klopt allemaal, zo laat een recent onderzoek zien van het ifo Institut in München en de Bocconi Universiteit in Milaan. Maar Brussel beschikt nog over een ander instrument, dat bovendien veel makkelijker is in te zetten. Als de EU de technologische achterstand wil inhalen, aldus de studie, moet ze vooral haar slecht functionerende innovatie- en technologiebeleid veranderen. ‘In plaats van ondernemingen’, zegt professor Daniel Gros van de Bocconi Universiteit, zou Brussel beter ‘ideeën kunnen financieren’.
Op dit moment gebeurt dus meestal het eerste. De miljarden kostende EU-programma’s die Brussel uitvoert onder de hoogdravende naam ‘Horizon’ richten zich voornamelijk op oude industrieën, worden vaak door een kleine kring van gevestigde concerns afgenomen en vloeien naar projecten die waarschijnlijk zonder dat geld ook wel waren doorgegaan. De manier waarop de EU onderzoek stimuleert, is vooral een vorm van gewone bedrijfsfinanciering geworden, staat in het rapport. Echt vernieuwende ideeën levert het nauwelijks op.
Het gaat om enorme bedragen. In de afgelopen tien jaar heeft Brussel ongeveer 100 miljard euro in haar technologieprogramma’s gestoken. Maar wat dat vele belastinggeld heeft opgeleverd werd tot op heden nauwelijks systematisch onderzocht. Als eerste rekende het Duits-Italiaanse team van economen uit hoe sterk de Brusselse middelen bijdroegen aan de groei van de ontvangers – met een ontnuchterende uitkomst. Bij een groot deel van de projecten zijn ‘tijdens de periode van subsidiëring kleine positieve effecten’ opgemerkt, die echter niet van blijvende aard waren. Integendeel: sinds het begin van het eerste decennium van deze eeuw is het aandeel van bedrijven uit de EU in de wereldwijde high-techmarkten teruggelopen van 22 naar 11 procent.
Dat lag niet in de laatste plaats, zo ontdekten de onderzoekers, aan de manier waarop de Horizongelden worden verdeeld. Een groot deel komt niet terecht bij kleine creatieve start-ups, maar bij gevestigde bedrijven ‘op een gemiddeld technologisch niveau’, waaronder grote autoconcerns, van VW en Mercedes Benz tot en met Stellantis. Nog kritischer is het oordeel over de miljarden die terechtkomen bij grote bedrijfsconsortia, waarin gemiddeld twintig, soms wel honderd, partijen uit meerdere EU-landen samenwerken. Zulke projecten worden vaak niet van onderaf ontwikkeld door de bedrijven zelf, maar van bovenaf gepland door commissies van EU-ambtenaren, waarbij nationale belangen regelmatig zwaarder wegen dan technologische vernieuwing.
Een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus
De economen noemen als voorbeeld een Horizon-project rond batterijen voor elektrische auto’s, dat zich van meet af aan beperkte tot vertrouwde technologieën en gangbare productiemethoden. Geen wonder, stellen ze, dat zulke projecten zelden tot echte innovaties leiden, maar hooguit tot ‘marginale verbeteringen van bestaande technologieën’.
Sterker nog: een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van klanten door het woud aan Europese aanvraag- en verantwoordingsregels. Volgens de studie is de sterkste groei van de Horizon-programma’s dan ook ‘te vinden in de sector van consultancy en ondersteunende diensten’.
Het rapport laat ook zien hoe het wél werkt. De technologiesubsidies van de EU blijken namelijk wel effectief wanneer ze terechtkomen bij kleine, onafhankelijke bedrijven. In zulke gevallen bespeurden de onderzoekers doorgaans ‘positieve, aanhoudende en significante’ effecten. Helaas gaat slechts 7,5 procent van de Horizon-gelden naar dit type ondernemingen. De conclusie van de studie is dan ook weinig vleiend: slechts een fractie van het totale subsidiegeld wordt daadwerkelijk ‘effectief besteed’. Het leeuwendeel vloeit naar ‘bedrijven die zich gespecialiseerd hebben in het verwerven van Horizonsubsidies’, ‘vaak dochterbedrijven van de grote concerns’ die deelnamen aan ‘tientallen plannen’, in enkele gevallen zelfs meer dan tweehonderd.
Deze studie legt de hardnekkige zwaktes van de EU onder een vergrootglas, die Europa al lange tijd belemmeren in de wereldwijde concurrentiestrijd: een verlammende bureaucratie, de invloedrijke lobby van gevestigde bedrijven en belangengroepen en de voortdurende dominantie van nationale belangen. Dat leidt vooral tot zo’n ongunstige uitkomst omdat de EU niet beschikt over een kapitaalmarkt als die van de VS, die graag investeren in innovaties. De publieke EU-subsidies zouden dat gebrek eigenlijk moeten opvangen, maar versterken het probleem.
Als de EU-landen binnenkort over hun nieuwe begroting besluiten, doen ze er verstandig aan de conclusies van het rapport van de Duitse en Italiaanse economen ter harte te nemen: wie echte innovatie wil, moet niet blijven investeren in het oude, maar durven kiezen voor het nieuwe.
De wereldwijde temperatuurstijging zal onze vakanties drastisch veranderen. Niet alleen zullen we andere bestemmingen kiezen, ook de traditionele zomer als hoogseizoen staat onder druk.
In 1975 scoorde zanger en presentator Rudi Carrell een hit in Duitsland met het lied Wann wird’s mal wieder richtig Sommer?, waarin hij verlangde naar de hittegolven van weleer. Een tijd waarin men volgens Carrell nog geen sauna nodig had, en de schapen ’s zomers graag werden geschoren:
Ein Sommer, wie er früher einmal war,
Ja, mit Sonnenschein von Juni bis September
Und nicht so nass und so sibirisch, wie im
letzten Jahr
Bewoners van kille, noordelijke streken hebben altijd naar hete zomers verlangd. In elk geval sinds 1923, toen de Amerikaanse socialites Gerald en Sara Murphy zich pioniers toonden op het gebied van zonnen aan de Franse Rivièra. Langzaam ontstond er brede overeenstemming over de ideale weersomstandigheden – een zonnige lucht en temperaturen rond de 25 graden – en de plek die daarbij hoorde: het strand.
Maar sinds de hittegolven van 2019 is de zomer veranderd van een tijd om naar uit te kijken in een tijd om te vrezen. Europa, dat twee keer zo snel opwarmt als het mondiale gemiddelde, had zijn heetste zomer ooit in 2022.
De heetste zomer daarvóór was een jaar eerder, en dit alles gebeurde nog voor de warme klimaatcyclus El Niño de wereld andermaal komt plagen. Geen strand is aangenaam bij 40 graden, of met bosbranden in de verte. Voor veel rijke mensen is het veranderen van de vakantiebestemming het eerste tastbare effect van klimaatverandering. Dat is tenslotte gemakkelijker dan ergens anders gaan wonen. Vakantie vieren verandert het klimaat – het toeristenvervoer neemt 5 procent van de mondiale uitstoot voor zijn rekening – en tegelijkertijd verandert het klimaat het vakantie vieren. Nu de pandemie heeft plaatsgemaakt voor een piek in het toerisme, tekent zich een nieuwe wereldkaart met vakantiebestemmingen af.
Voorlopig prijken stranden nog prominent op de kaart. ‘Kusttoerisme is de grootste component van de mondiale toeristenindustrie’, zo leert een studie uit 2014 van de Universiteit van Cambridge. Ruim 60 procent van de Europeanen kiest voor strandvakanties, en in de Verenigde Staten is het segment goed voor ruim 80 procent van de inkomsten uit toerisme.
Sommige strandbestemmingen, zoals de Malediven en delen van het Caribisch gebied, zullen echter onder de golven verdwijnen. Ook langs de Middellandse Zee, en dan vooral aan de Afrikaanse kust, kalven de stranden af door de stijgende zeespiegel. Bovendien wordt het in het hele Middellandse Zeegebied ondraaglijk heet. De trend zal zich waarschijnlijk bewegen in de richting van strandvakanties in het koelere noorden van Spanje, in Normandië, in het Verenigd Koninkrijk en in Scandinavië, totdat de hitte ook die plaatsen uiteindelijk zal overmannen. Alaska en het noordpoolgebied zouden binnenkort al aangename zomerparadijzen kunnen worden.
Geen strand is aangenaam bij 40 graden, of met bosbranden in de verte
Dertig jaar geleden bracht ik een paar maanden door in St. Leonards-on-Sea, een stadje aan de zuidkust van Engeland dat ooit betere tijden heeft gekend. Sinds 1820 was het een chique badplaats geweest, totdat goedkope vluchten naar de Middellandse Zee het Britse strandtoerisme de das omdeden. Ik herinner me de plek vanwege de ooit elegante hotels aan de kust, die nu werden bevolkt door krakkemikkige gepensioneerden en mensen met psychische problemen die er door Londense deelgemeenten werden gehuisvest.
Het nieuwe, opgewarmde klimaat zou St. Leonards in de kaart kunnen spelen (mits de Engelse waterbedrijven het lozen van ongezuiverd rioolwater in rivieren en de zee staken). Dagen dat het te warm is om te zonnen zijn geschikt om de lokale wijngaarden in Sussex te verkennen. Ondertussen zou de kokende Costa del Sol de rol van verlaten vakantiebestemming wel eens kunnen overnemen. Dergelijke verschuivingen zullen de historische stroom van toeristengeld van rijkere naar armere landen gedeeltelijk omkeren.
Nog een ontwikkeling die eraan zit te komen: de zomer is niet langer het toeristische hoogseizoen. Ten eerste is het dan te warm om voor je plezier te reizen. Ten tweede neemt het aantal stellen zonder kinderen toe, en die zijn niet gebonden aan de schoolvakanties. Ten derde hebben populaire toeristische bestemmingen in het hoogseizoen bijna geen ruimte meer. Dus zullen strandresorts zich weer richten op het voorjaar, waarin ze noorderlingen hun eerste zachte zonnestralen van het jaar kunnen bieden. Misschien gaan we zelfs terug naar de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de Britse heersende klasse hartje winter aan de Franse Rivièra neerstreek.
De wintersport zal op den duur verdwijnen. Momenteel gaat 40 procent van de wintersporters naar de Alpen, en daar zijn al honderden resorts gesloten wegens een gebrek aan sneeuw. Bijna alle Alpengletsjers zullen deze eeuw verdwijnen. In een aantal resorts in de VS is het skiseizoen in de periode van 1982 tot 2016 al 34 dagen korter geworden, bleek uit onderzoek. Skisteden proberen zichzelf om te vormen tot bestemmingen voor zomerse wandel- en fietstochten.
Er wachten ons traumatische veranderingen in vakantiepatronen. En de grootste slachtoffers zijn de miljoenen werknemers in de toeristenindustrie in arme landen en de familieleden die zij onderhouden. Maar deze omwenteling is nog maar een voorproefje van de nog fundamentelere verschuivingen die in het verschiet liggen.
Het lijkt erop dat we met argumenten zelden iemand op andere gedachten kunnen brengen. Alleen onze sociale relaties en ons eigen handelen zijn daartoe in staat.
Het heeft iets paradoxaals om juist hierover een opiniestuk te schrijven. Maar het moet gezegd worden: argumenten hebben op zichzelf geen wezenlijk effect op de overtuigingen die mensen hebben. En het idee dat dit wel zo zou zijn, een idee dat leeft in grote delen van de maatschappij, staat andere, effectievere vormen van politiek denken en handelen in de weg.
Als onderzoeker ben ik voornamelijk werkzaam op het snijvlak van psychologie en politiek, en mijn werk sterkt me meer en meer in de gedachte dat er binnen onze cultuur een misvatting bestaat over hoe politieke overtuigingskracht werkt. In het tijdperk van Donald Trump, Elon Musk en de opkomst van extreemrechts hebben commentatoren al duizenden keren hun mening gegeven over de problemen van nepnieuws, polarisatie et cetera. Maar al te vaak richtten ze zich daarbij tot de verkeerde toehoorder, en legden ze te veel nadruk op woorden alleen.
Neem de ‘debatten’. Die vormen overal ter wereld een wezenlijk element van verkiezingscampagnes en worden gezien als dusdanig invloedrijk dat er meestal strikte regels gelden voor de verslaggeving eromheen en bijvoorbeeld de verdeling van de spreektijd. Maar uit onderzoek blijkt dat het kijken naar debatten nauwelijks invloed heeft op iemands opvattingen. In 2019 analyseerden onderzoekers 56 tv-debatten tussen 1952 en 2016, bij 22 verkiezingen in de VS, Canada, Nieuw-Zeeland en Europa. Een kleine honderdduizend respondenten werden gevolgd om te kijken of de debatten deze – al dan niet zwevende – kiezers verder hielpen bij het bepalen of wijzigen van hun standpunt. Daar werden geen bewijzen voor gevonden. In 2012 voerde een journalist eveneens een analyse uit om te kijken of debatten van invloed waren op de uitkomst van verkiezingen. Zijn conclusie: ‘De effecten van debatten op het uiteindelijke stemgedrag zijn vermoedelijk zeer gering, en in de meeste gevallen verwaarloosbaar.’
Er zijn talloze redenen waarom debatten (en ja, hetzelfde geldt voor informatieverstrekking en argumentatie in bredere zin) er nauwelijks in slagen om de politieke overtuigingen van mensen te veranderen. Cognitieve dissonantie, een fenomeen dat ik als onderdeel van mijn promotieonderzoek heb bestudeerd, is daar een van. Dit is het vaak onbewuste psychologische ongemak dat we ervaren als we worden geconfronteerd met tegenstrijdigheden in onze eigen overtuigingen of binnen ons handelen. Er is veel over geschreven. We zien cognitieve dissonantie en de effecten ervan bijvoorbeeld bij mensen die snel ‘redeneren’ wanneer iets hun wereldbeeld aantast, in een poging het ongemak weg te nemen dat de nieuwe informatie over een sterk gevoelde overtuiging veroorzaakt.
Voordat Trump in 2024 werd veroordeeld voor verschillende aanklachten, vond bijvoorbeeld slechts 17 procent van de Republikeinse kiezers dat criminelen president zouden mogen worden; direct na Trumps veroordeling steeg dat percentage naar 58 procent. Om twee tegenstrijdige overtuigingen met elkaar te kunnen rijmen (de overtuiging dat een president zich niet schuldig zou mogen maken aan x enerzijds en de overtuiging dat Trump president moet worden anderzijds), veranderde een ongekend aantal Republikeinse kiezers simpelweg van mening over het eerste.
Sterker nog, Republikeinse kiezers veranderden van mening over vrijwel alles waarvoor Trump was veroordeeld: ineens vonden minder Republikeinen het immoreel om seks te hebben met een pornoster, om iemand geld te betalen om te zwijgen over een affaire of om een zakelijk dossier te vervalsen.
Dit effect blijkt niet beperkt tot Trump-stemmers: uit onderzoek blijkt dat we allemaal op die manier rationaliseren, om te kunnen vasthouden aan de overtuigingen die ons in staat stellen te blijven functioneren zoals we dat altijd hebben gedaan. Of, ironisch genoeg, om onze mening deels bij te stellen op grond van nieuwe informatie, maar ook dan meestal alleen om vast te kunnen blijven houden aan andere, diepgevoelde overtuigingen.
Vrienden hebben het vermogen iets te veranderen aan onze overtuigingen en ons gedrag
Het komt echter niet alleen door een psychologisch fenomeen als cognitieve dissonantie dat debatten en argumenten relatief weinig effect sorteren. Zoals ik in mijn boek Don’t Talk About Politics laat zien, schuilt de belangrijkste verklaring voor het feit dat woorden mensen niet van gedachten doen veranderen er waarschijnlijk in dat er twee andere factoren zijn die een veel grotere invloed hebben: enerzijds onze sociale contacten en anderzijds ons eigen handelen en onze ervaringen.
Er is een overweldigende hoeveelheid bewijsmateriaal die laat zien dat onze vrienden het vermogen hebben iets te veranderen aan onze overtuigingen en ons gedrag – niet door met ons in discussie te gaan, maar simpelweg door bij ons in de buurt te zijn en ons andere manieren te tonen om in het leven te staan. Onderzoek naar sociale contacten laat zien dat mensen, zodra er vriendschappen ontstaan en er wordt samengewerkt, minder vooroordelen koesteren jegens de groepen waar hun nieuwe vrienden deel van uitmaken. Dit fenomeen verklaart vermoedelijk bijvoorbeeld grotendeels de vooruitgang op het gebied van homorechten in de afgelopen decennia: naarmate meer mensen open waren over hun seksuele geaardheid, veranderden hun vrienden van mening over homoseksualiteit, wat resulteerde in een van de snelste kantelingen in de publieke opinie aller tijden. Op vergelijkbare wijze toont onderzoek aan dat mensen het meest geneigd zijn om klimaatvriendelijke acties (zoals het installeren van een warmtepomp) te ondernemen als hun vrienden dat ook doen; veel eerder dan wanneer ze een geldelijke beloning of andere prikkels krijgen.
Onze vrienden verbreden ons blikveld; ze vergroten onze betrokkenheid bij de wereld en creëren het vertrouwen dat mensen nodig hebben om zich open te stellen voor nieuwe ideeën. Hun indirecte invloed reikt verder dan argumenten – zeker die van vreemden – ooit zouden kunnen. Met andere woorden: waar het aankomt op overtuigingskracht, is het niet het gesprek dat telt, maar de onderlinge relatie.
Ook onze eigen handelingen en ervaringen hebben verregaande gevolgen, zij het op een contra-intuïtieve manier. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat vrouwen die onder verder gelijke omstandigheden een abortus wordt geweigerd, iets minder voorstander worden van het recht op abortus, terwijl vrouwen die een abortus ondergaan juist iets meer voorstander worden. Je zou wellicht verwachten dat iemand die geen abortus kan krijgen zich juist sterker zou maken voor het recht erop, maar dat blijkt dus niet het geval – vermoedelijk omdat mensen, deels als gevolg van cognitieve dissonantie, de neiging hebben hun overtuiging in overeenstemming te brengen met hun handelen, zelfs als dat handelen niet uit vrije wil is. De invloed van handelen en ervaring op overtuigingen blijkt ook duidelijk als we kijken naar de klimaatcrisis: wie getuige is geweest van klimaatgerelateerd extreem weer, zal eerder geneigd zijn te geloven in klimaatverandering en bereid zijn in actie te komen.
In vergelijking met dergelijke invloeden halen argumenten betrekkelijk weinig uit. Toch zijn onze instituties nog altijd ingericht op de gedachte dat woorden volstaan. We zitten collectief gevangen in de liberale opvatting dat politiek voornamelijk bestaat uit praten en zo nu en dan stemmen. Wie progressieve ideeën wil uitdragen, heeft niet zozeer argumenten nodig als wel een infrastructuur die nieuwe relaties en ervaringen mogelijk maakt. Je kunt hierbij aan van alles denken, van een wachtruimte waar ouders elkaar kunnen ontmoeten voordat de school uitgaat tot een gezamenlijke werkplek of een openbaar park. Deze voorzieningen stellen mensen in staat om op nieuwe manieren met elkaar om te gaan en zich op een andere manier te gedragen. Op die manier bevorderen ze vriendschappen en vertrouwen, en stimuleren ze gedragingen die er uiteindelijk toe leiden dat mensen hun politieke opvattingen kunnen veranderen.
Dit alles lijkt er ook op te wijzen dat we anders moeten gaan denken over wat het betekent om een goede politiek denker te zijn. Bij goed nadenken binnen de politiek gaat het niet zozeer om ‘onafhankelijk’ denken in die zin dat je alleen uitgaat van je eigen gedachten; nee, goed nadenken betekent met zorg je vrienden kiezen, zowel wat betreft diversiteit als wat betreft weldenkendheid, zodat we van en met hen kunnen leren. Goed nadenken over politiek betekent actief in de wereld staan – nieuwe manieren van leven proberen, een breed scala aan ervaringen opdoen. Helaas is dat moeilijker dan vroeger, onder meer als gevolg van de inkomensongelijkheid. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat mensen in landen als de VS en het Verenigd Koninkrijk geïsoleerder zijn en minder van standplaats veranderen dan ooit. De sociale cohesie die we nodig hebben om onze vooroordelen te ontrafelen, brokkelt af. Dat is deels de reden waarom extreemrechts terrein wint: dat weet hoe het relaties en handelingen van mensen kan mobiliseren in deze verschraalde wereld, terwijl het tegelijk profiteert van verslechterende materiële omstandigheden. Om hier iets aan te doen, moeten progressieven rijkdom en macht heroveren, zodat iedereen de steun krijgt om zijn of haar leven te verruimen.
Uiteraard verwacht ik u niet te kunnen overtuigen met enkel deze woorden. In plaats daarvan daag ik u uit om dit zelf te ontdekken: probeer een connectie aan te gaan met een ander, misschien iemand die diep wordt geraakt door een politieke kwestie. Of probeer uw leven anders in te richten, te beginnen met iets kleins. Kijk of uw politieke opvattingen daardoor veranderen, al is het maar een beetje. Misschien ook verandert het uw kijk op de politiek als geheel.
» Lees dit nummer online
Met onder andere:
» Dossier Herbewapening
» Brazilianen kunnen binnenkort hun digitale gegevens verkopen
» Dit artikel zal je niet van gedachten doen veranderen. En wel hierom
Terwijl de internationale afgezanten uit alle windstreken langzaam Nederland binnendruppelden, had 360 Magazine een eigen top, en wel in het sprookjesachtige Bern, met een beter uitzicht dan de vertegenwoordigers van de ministeries in de hotelzone rond de Haagse Zeestraat kunnen dromen, namelijk op de Jungfrau (4158 m) – een échte top met een glinsterende sneeuwkap, de Eiger en de Mönch als veiligheidsagenten aan haar flanken.
In Bern, te gast op het True Story Festival, ging het in zekere zin ook over hoe wij ons kunnen verdedigen: met de pen als wapen, in plaats van de destructieve waanzin waarmee landen elkaar heden ten dage bestoken. Tijdens tientallen lezingen en discussies werd telkens weer de kracht van de journalistiek benadrukt, die het ‘gewicht van duizend bergen kan dragen’, volgens de Chinese journalist Quiming Ling.
Welke journalist krijgt nog die ruimte?
Daartoe riep ook de Russische Nobelprijswinnaar en journalist Dmitri Moeratov op, die zich verbaasd uitsprak over het recht op leven dat in het ene land blijkbaar zwaarder weegt dan in het andere. Waar blijft de wereldwijde vredesbeweging, vraagt de medeoprichter van oppositiekrant Novaja Gazeta, inmiddels Novaja Gazeta Europa, zich af. Na de moord op Anna Politkovskaja en meerdere redactieleden, en een maand nadat Rusland aan de invasie van Oekraïne was begonnen, verhuisde de redactie naar de Letse hoofdstad Riga, om daar onvermoeibaar haar belangrijke werk voort te zetten.
Waar overdag talloze onderwerpen de revue passeerden in statige locaties, kwamen ’s avonds aan tafel de tongen los en werden allianties gesmeed. De bekroonde Oostenrijks-Duits-Franse en helaas gepensioneerde oorlogsjournalist Antonia Rados, die conflicten in Irak, Afghanistan en andere crisisgebieden versloeg en het boek Afghanistan von innen: Wie der Frieden verspielt wurde schreef, hoopt dat wat zij ‘emotionele journalistiek’ noemt terugkeert naar, tja, eigenlijk naar de beoefening van het vak zoals zij dat decennialang heeft gedaan. Conflicten waar ook ter wereld kunnen volgens haar het best over het voetlicht worden gebracht door heel diep en lang te graven en met kritische toewijding inzicht te verkrijgen in de belevingswereld van de strijdende partijen. Alleen door de talloze reizen en gesprekken met talloze betrokkenen slaagde zij erin de oorzaken van het falen van westerse interventies te doorgronden.
Kom daar maar eens om, zei ze. Welke journalist krijgt nog die ruimte? Want het is, zoals ook Sarah Stein Lubrano schrijft, vooral sociale nabijheid die deuren opent naar verandering.
Katrien Gottlieb
From the publisher's feed