Audio – 360 Magazine

Audio – 360 Magazine

By Audio – 360 MagazineSociety & CultureNewsDaily News
Download on the App Store

Audio – 360 Magazine episodes

  • Europa moet zich vooral niet als slachtoffer gedragen

    EU-lidstaten moeten zich niet uitsloven om in het gevlij te komen bij de nieuwe Amerikaanse president.

    In 1981 voerden de sociologen Betty Grayson en Morris Stein een inmiddels befaamd onderzoek uit naar de criteria waarop misdadigers hun slachtoffers kiezen. Eerst filmden ze in een drukke straat in New York voorbijgangers. Vervolgens vertoonden ze in een gevangenis aan de oostkust die beelden aan gedetineerden die vastzaten voor geweldsdelicten tegen mensen die ze niet kenden (roofovervallen, verkrachting, moord). De gedetineerden moesten de voorbijgangers beoordelen op een schaal van 1 tot 10, van ‘makkelijke prooi’ tot ‘niet aan beginnen, te veel gedoe’.

    De uitkomst was opvallend. Alle gedetineerden pikten precies dezelfde personen eruit als veelbelovend doelwit. Hun keuze berustte niet alleen op geslacht, huidskleur of leeftijd, zoals je zou kunnen verwachten. Oudere vrouwen en verstrooide professoren waren niet automatisch eerste keus. Andere criteria bepaalden hun keuze. De misdadigers lazen de non-verbale signalen van de voorbijgangers – hoe ze liepen, de beweging van hun hoofd en handen, het zelfvertrouwen dat ze uitstraalden – en lieten zich daardoor leiden. Ze kozen de personen die zich in hun ogen als slachtoffer gedroegen.

    Botte dreigementen

    Ik moest aan dat onderzoek denken toen ik nadacht over de strategische dilemma’s waar Europa voor staat na de regeringswisseling in de VS. De eerste stappen van Trumps team lijken erop te wijzen dat de nieuwe president zijn macht niet zozeer wil gebruiken om de confrontatie aan te gaan met Amerika’s vijanden, maar om Washingtons bondgenoten zijn wil op te leggen. Trumps uitspraken over Groenland en Canada en de tweets waarin Elon Musk oproept tot een regeringswissel in het Verenigd Koninkrijk zijn daarvan de duidelijkste tekenen. Trump hoopt blijkbaar dat botte dreigementen aan het adres van enkele bondgenoten volstaan om de rest naar zijn pijpen te laten dansen.

    De EU-lidstaten hebben alle reden om bang te zijn dat Washington in zijn benadering zal kiezen voor dezelfde koers als die de Russische oud-president Dmitri Medvedev onlangs verwoordde toen hij zei dat ‘het nodig is alle destructieve processen in Europa een handje te helpen’.

    Uit het wereldwijde opinieonderzoek dat de European Council on Foreign Relations eind 2024 liet uitvoeren komt naar voren dat de terugkeer van Trump in het Witte Huis door ‘een groot deel van de wereld wordt verwelkomd’. Europeanen en Zuid-Koreanen vinden hem een lompe brokkenmaker, maar verder gelooft het merendeel dat hij goed is voor Amerika, voor hun eigen land en voor de wereldvrede.

    Die steun voor Trump is misschien alleen een kwestie van natuurlijk enthousiasme voor een winnaar. En dat kan snel omslaan als de handelstarieven waarmee hij dreigt eenmaal hun beslag krijgen, of als hij toch geen eind kan maken aan de conflicten in Oekraïne en het Midden-Oosten.

    De VS wordt eindelijk een normale grootmacht: een land dat een hegemonie uitoefent, maar geen kruistocht voert

    Maar er is nog iets interessanters aan de hand. Velen vinden Trumps openlijke minachting voor internationale regels te verkiezen boven de onuitstaanbare hypocrisie van de vorige liberale regering. Onder Trump wordt de VS eindelijk een normale grootmacht: een land dat een hegemonie uitoefent, maar geen kruistocht voert. Een land dat zich niet langer voordoet als beter dan andere landen, maar simpelweg optreedt vanuit de gedachte dat het sterker is.

    Het onderzoek van de ECFR legt echter ook andere trends bloot, en daar liggen kansen voor Europa. De niet-westerse wereld mag Trump dan verwelkomen, toch denken velen dat eerder China dan de VS uiteindelijk de dominante supermacht zal worden.

    Trumps internationale strategie bestond er in 2016 vooral uit om een wig te drijven tussen China en Rusland. Dat lijkt niet langer realistisch. Uit de peiling van de ECFR blijkt dat in de loop van het afgelopen jaar niet alleen de leiders, maar ook de inwoners van Rusland en China elkaars land als bondgenoot zijn gaan beschouwen. Terwijl in Europa slechts een op de vijf burgers de VS nog als bondgenoot beschouwt. Dus terwijl het erop lijkt dat Amerika zijn eigen bondgenoten in de kou laat staan, hebben Moskou en Beijing de voordelen van samenwerking ontdekt.

    Hoogtepunt

    Maar al lijkt Europa door Trump te zijn afgeschreven, buiten het Westen wordt het continent nog alom als uiterst machtig beschouwd. In deze vijandige omgeving komt het er voor Europa nu op aan zich nooit als slachtoffer te gaan gedragen. Europese staten moeten zich vooral niet haasten om de nieuwe president te behagen of tegen te werken. Ze moeten de tijd nemen om zich te bezinnen op hun aanpak van Amerikaanse techgiganten en hoe ze moeten reageren op het dreigement van handelstarieven. Ze moeten Turkije en andere niet-westerse machten actief betrekken bij het gesprek over veiligheidsgaranties voor Oekraïne. Tegenover de druk van Trump moet Europa eerder verwarring zaaien dan tegendruk uitoefenen. En wat Trump vooral in verwarring zal brengen, is als Europese leiders de aandacht richten op hun eigen land en niet op de nieuwe Amerikaanse regering. De sleutel voor een Europese strategie is het besef dat 20 januari paradoxaal genoeg niet alleen het begin markeert van Trumps tweede ambtstermijn, maar ook meteen het hoogtepunt van zijn mondiale invloed. 

    7 min
  • Ze droomden van voetbalcarrières, maar werden slachtoffers van mensenhandel

    Duizenden West-Afrikaanse voetballers worden opgelicht en uitgebuit door nepscouts die hun een plek beloven bij professionele voetbalteams in het buitenland. ‘De mensen uit mijn dorp verwachtten een succesvolle speler. In plaats daarvan kregen ze een persoon zonder geld die hen teleurstelde.’

    Op een drukke avond in januari rijdt de 31-jarige Serge’s witte Suzuki van het ene deel van Abidjan, de bruisende hoofdstad van Ivoorkust, naar het andere. Terwijl hij de Charles de Gaulle-brug oversteekt, die de arbeiderswijk Treichville met de welvarende Plateau-buurt verbindt, kijkt hij naar een wolkenkrabber niet ver van het Félix Houphouët-Boigny Stadion, een van de arena’s waar het Africa Cup of Nations (AFCON) voetbaltoernooi wordt gehouden, versierd met de vlaggen van de deelnemende landen. 

    De zon gaat onder en het verkeer neemt af, waardoor Serge iets ontspant. Langzaam maar zeker begint hij New Lines over zijn diepgaande en voortdurende passie voor het voetbal te vertellen. De wedstrijd tussen Congo en Zambia staat op het punt te beginnen; hij zal ernaar luisteren op zijn radio. Zo heeft hij veel wedstrijden weten te volgen, waaronder de tweede helft van de openingswedstrijd tussen Ivoorkust en Guinee-Bissau. Hoewel hij zelf een kaartje had gekocht en juichend op de tribune zat, lokte de werkgelegenheid – meer dan één miljoen voetbalfans waren voor het toernooi naar Ivoorkust gekomen – hem tijdens de rust terug naar zijn taxi. Met verdriet verliet Serge toen het stadion. Niet alleen had hij deze en andere wedstrijden graag willen bezichtigen vanaf de tribune, maar tot een paar jaar geleden was het zelfs zijn droom om op het veld te staan.

    ‘Ik hield van voetballen. Ik droomde van voetbal, at voetbal en ademde voetbal. Ik ben zelfs van school gegaan vanwege het voetbal. Het was mijn hele leven,’ vertelt Serge. Hij groeide op in de Abidjaanse gemeente Yopougon, beter bekend als Yop City: een mix van woonwijken en industrieel terrein waar meer dan 1,5 miljoen mensen dicht op elkaar leven in dikwijls chaotische, armoedige omstandigheden. In tegenstelling tot andere delen van Abidjan, die veel immigranten uit andere West-Afrikaanse landen aantrekken, bestaat de bevolking van Yop City voornamelijk uit geboren en getogen Ivorianen. De culturele obsessie met voetbal hangt hier in de lucht. Abidjan is dan ook de geboorteplaats van een uitzonderlijk aantal voetbaltalenten die hun weg naar de top vonden via lokale clubs en grasveldjes.

    Onmisbaar

    Een van deze talenten is de tweevoudige winnaar van de Afrikaanse Ballon d’Or, Didier Drogba. De voormalige sterspeler van het wereldberoemde Chelsea-team in Engeland was eveneens aanvoerder van het nationale team van Ivoorkust toen het land zich in 2006 voor het eerst kwalificeerde voor het WK. Drogba verliet de sport in 2018, maar blijft nog altijd een idool voor ambitieuze West-Afrikaanse spelers die dromen over Europa, waar zo’n 60% van de spelers die werden opgeroepen voor de laatste Afrika Cup speelden en trainden. Onder hen bevonden zich Mohamed Salah, de oogverblindende Egyptische spits van Liverpool in de Engelse Premier League, en de Nigeriaanse spits Victor Osimhen, die in 2023 topscorer was in de Italiaanse Serie A met Napoli en in december door de Afrikaanse voetbalbond werd uitgeroepen tot Afrikaans voetballer van het jaar.

    De rol van Afrikaanse spelers in Europees voetbal is de afgelopen tien jaar enorm gegroeid. Inmiddels spelen zo’n 500 Afrikanen bij Europese topclubs, en nog eens honderden in competities in het Midden-Oosten en Azië. Ze zijn inmiddels een onmisbaar onderdeel geworden van een van de grootste sportindustrieën ter wereld: alleen al de Europese voetbalmarkt had in 2023 een waarde van 31,8 miljard dollar. Terwijl deze industrie zoekt naar nieuwe supersterren, proberen tienduizenden jonge Afrikaanse spelers wanhopig gescout te worden en daarmee de armoede, werkloosheid en politieke instabiliteit van hun thuislanden achterwege te laten. Deze combinatie van hoop en wanhoop is helaas niet alleen een vruchtbare voedingsbodem voor voetbaltalent, maar ook voor vormen van uitbuiting zoals mensenhandel, waarbij oplichters zich voordoen als scouts en geld aannemen van de hoopvolle spelers en hun families.

    Op 13-jarige leeftijd werd Serge door zo’n nepscout overgehaald om naar Burkina Faso te reizen voor een proefwedstrijd in de stad Ouagadougou, waar Europese recruiters aanwezig zouden zijn. Vol enthousiasme verzamelden Serge en zijn familie het vereiste bedrag: ongeveer $165, een enorme som in een land waar het gemiddelde maandsalaris rond de $550 ligt en waar, volgens de Wereldbank, zo’n 40% van de bevolking onder de armoedegrens leeft. Andere jonge spelers vielen ook voor het trucje en maakten samen met Serge de lange, bloedhete busreis naar Ouagadougou, waar bij aankomst geen recruiter te bekennen was.

    ‘Ik weet niet of het om mensenhandel ging. Ik weet alleen dat er niemand was,’ zegt Serge. ‘We speelden uiteindelijk tegen kleine clubs en gingen weer naar huis.‘

    Naar schatting vallen elk jaar zo’n 15.000 jonge spelers ten prooi van mensenhandel – en niet alleen amateurs zoals Serge. Tijdens een euforische persconferentie na de finale waarin Ivoorkust de Afrika Cup-titel veroverde, onthulde de 23-jarige Simon Adingra – een van de beste jonge spelers van het hele toernooi – dat ook hij in het verleden slachtoffer was geworden.

    De harde realiteit drong tot Adingra door: er was niet alleen geen academie

    Nadat een zogenaamde coach hem had zien spelen bij een lokale club, betaalde de ouders van Adingra de man ongeveer $300 om hun getalenteerde zoon naar een voetbalacademie in Benin te sturen. Toen de ‘coach’ daar eenmaal met het geld verdween, drong de harde realiteit tot Adingra door: er was niet alleen geen academie, maar ook geen onderdak. Samen met negen andere voetballers was Adingra aan zijn lot overgelaten. 

    De jongens bleven bij elkaar en deden klusjes in ruil voor voedsel of geld. Ondanks hun omstandigheden, hoopten ze nog altijd op een kans: een echte kans. Hulp arriveerde enkele maanden later in de vorm van een in Ivoorkust opgeleide Beninese man die Adingra en de anderen zowel fatsoenlijk onderdak gaf als de mogelijkheid om te voetballen. Uiteindelijk wist Adingra de aandacht te trekken van de Right to Dream-voetbalacademie in Accra, Ghana, waar hij trainde voordat hij – dit keer op legitieme wijze – werd gerekruteerd om in Europa te spelen bij de Deense club Nordsjaelland, die de academie sponsort.

    De internationale voetbalorganisatie FIFA hanteert een strikt reglement voor het rekruteren van spelers over landsgrenzen, zowel op amateur- als professioneel niveau. Spelers krijgen een elektronische ID-kaart die bij de voetbalbond is geregistreerd. Daarnaast moeten ze ook een uitnodigingsbrief ontvangen van de geïnteresseerde club, die via de lokale federatie moet worden verstuurd, zegt Alexandre Kouakou, een gerespecteerde scout in het Ivoriaanse voetbalmilieu die spelers helpt om nepbrieven te identificeren.

    De regels zijn nóg strenger voor minderjarigen die het tot prof willen schoppen. Hoewel jonge spelers al voor hun 18e verjaardag gescout kunnen worden in het land waar ze wonen – een veelvoorkomende zaak in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, waar kinderen en tieners regelmatig contracten sluiten met binnenlandse teams – zijn internationale transfers voor spelers onder de 18 alleen enkel in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Zo mogen minderjarigen alleen een proefperiode meelopen bij een club. Daarnaast moet de club schriftelijke toestemming ontvangen van ouders, zorgen voor geschikte huisvestingen en levensomstandigheden, alle kosten dekken en een persoonlijke begeleider inschakelen. Bovenal is het vragen naar of innen van vergoedingen voor een proefperiode ten strengste verboden. ‘Het spreekt voor zich dat elke operatie die buiten de officiële kanalen van de voetbalwereld staat op zijn minst verdacht is, zo niet volledig illegaal,’ zegt Kouakou.

    Bedrog

    Hoewel de meeste jonge voetbaltalenten de statistieken van hun favoriete clubs en spelers moeiteloos opdreunen en de spelregels door en door kennen, weten maar weinigen iets over de statuten van het officiële rekruteringsproces. Wanneer een vermeende coach of scout opduikt met grote interesse en een verleidelijk aanbod, wagen velen daarom de sprong.

    Het bedrog begint meestal in het thuisland van de speler wanneer een coach of scout opduikt met de kans van zijn leven: een proefperiode bij een grote club in het buitenland. Er zit echter een addertje onder het gras; de nepscout heeft eerst een bemiddelings- of transportvergoeding nodig, of geld om een visum of accommodatie te regelen.

    In zijn studies beschrijft de onderzoeker James Easson wat er vervolgens gebeurt: veel families verkopen hun bezittingen, halen jongere kinderen van school of lenen geld om de benodigde fondsen bij elkaar te sprokkelen. Bij aankomst in het nieuwe land – meestal op een kortlopend toeristenvisum – biedt de nepscout aan hun paspoorten en geld ergens veilig op te bergen. Voor sommigen eindigt het avontuur daar: de oplichter verdwijnt met hun kostbaarheden zonder hen naar de beloofde club of wedstrijd te brengen. Anderen krijgen wel een kans om te spelen, en sommigen worden zelfs een contract aangeboden. Maar deze contracten zijn vaak net zo uitbuitend, met gigantische commissies voor de scout en weinig bescherming voor de speler. Als een speler weigert te tekenen, verdwijnt de scout met zijn resterende geld en documenten.

    Soms gaat het niet alleen om geld. Begin jaren 2000 werd de toekomstige Premier League-speler Alhassan Bangura vanuit Sierra Leone naar het Verenigd Koninkrijk gehaald door een Fransman die hem een proefperiode beloofde. Kort na aankomst werd de 16-jarige Bangura seksueel misbruikt door twee mannen in de accommodatie die de Fransman voor hem had geregeld. Andere spelers raken verzeild in dwangarbeid. Zo werd een voormalige Nigeriaanse voetballer die wij spraken, gelokt met de belofte van een proefperiode in Europa maar belandde hij uiteindelijk in Kaapverdië, waar hij als onderbetaalde ober moest werken in een restaurant.

    Sommige oplichters weten zelfs de meest waakzame spelers om de tuin te leiden.

    ‘Ik voelde me wanhopig, helemaal vanwege de situatie van mijn familie thuis. Ze rekenden op mij’

    Toen David Kevin Kouassi, een 22-jarige speler uit Yopougon, een uitnodigingsbrief van een Filipijnse club ontving van een Marokkaanse man die beweerde een FIFA-scout te zijn, was hij aanvankelijk achterdochtig; hij had immers genoeg verhalen gehoord van mensen die waren opgelicht met valse brieven. Maar zijn twijfels verdwenen toen de scout videogesprekken regelde met een man die zich voordeed als een clubvertegenwoordiger, en een snelle internetzoektocht naar de naam van de scout een pagina op de FIFA-website opleverde. Overtuigd van het aanbod betaalde Kouassi de man $270 en vertrok naar Manilla.

    Na een zenuwslopend gesprek bij de grenscontrole op de luchthaven van Manilla legden de lokale autoriteiten Kouassi uit dat hij was opgelicht. De oplichter had de naam en gegevens van een echte scout gebruikt om zijn vertrouwen te winnen en was er vervolgens met zijn geld vandoor gegaan. Kouassi wist alsnog het land binnen te komen op een toeristenvisum en probeerde zelf contacten te leggen in het Filippijnse voetbal, maar de salarissen die hem door clubs uit de eerste en tweede divisie werden aangeboden, waren nauwelijks genoeg om zijn huur te dekken. ‘Ik voelde me wanhopig, helemaal vanwege de situatie van mijn familie thuis. Ze rekenden op mij,‘ zegt hij terwijl hij uit een tuk-tuk stapt, een paar meter van het appartement dat hij deelt met zijn zus in Songon, een buitenwijk ten oosten van Abidjan, waar half afgebouwde betonnen huizen tussen het wildgroei uitsteken. Toen zijn economische situatie in Manilla onverdraagbaar werd, verzamelde Kouassi de moed om zijn vader de waarheid te vertellen en wist hij genoeg geld bij elkaar te krijgen voor een terugvlucht.

    Vrijwel alle (naar schatting) 15.000 jaarlijkse slachtoffers van voetbalhandel komen uit West-Afrika, een regio waar instabiliteit en een ongeremde passie voor voetbal een vruchtbare voedingsbodem vormen voor mensenhandelnetwerken.

    ‘Elke keer als we bijeenkomsten hebben over voetbalhandel,‘ zegt Lerina Bright, voorzitter van Mission 89, een Zwitserse voetbalorganisatie die zich bezighoudt met mensenhandel, ‘steken minstens drie mensen hun hand op. Of ze zijn zelf slachtoffer geweest, of ze kennen een slachtoffer.’

    Financiering

    Zelfs als een voetballer op professioneel niveau speelt in West-Afrika is het verschil tussen zijn salaris – de gemiddelde profvoetballer in Ivoorkust verdient ongeveer $500 per maand – en de potentiële verdiensten van een Europese carrière groot genoeg om hem ertoe te drijven risico’s te nemen. Dit kan betekenen dat ze hun vertrouwen in een oplichter leggen of proberen op een klein bootje richting Europa te stappen. Als het niet lukt om Europa te bereiken, bieden veel teams in Noord-Afrika, waar de infrastructuur en competities verder ontwikkeld zijn, salarissen tussen de vier en zes cijfers per maand. 

    ‘Wat ontbreekt in Ivoorkust is financiering,‘ zegt Lakoun Ouattara, een activist uit Abidjan die bewustzijn creëert over voetbalhandel met de niet-gouvernementele organisatie Mousso Foot. ‘We hebben de staat en de clubvoorzitters nodig om te investeren in infrastructuur en het lokale voetbalmilieu te verbeteren. Tot dit gebeurt, zullen mensen naar meer ontwikkelde landen blijven reizen.’

    Wanneer Ivoriaanse spelers op legitieme wijze naar het buitenland worden gehaald, legt Ouattara uit, kan dat het lokale voetbal helpen zich te ontwikkelen. Zo kan geld dat met hun verkoop wordt verdiend, bijdragen aan de groei van binnenlandse teams. Bovendien kunnen de naar het buitenland gehaalde spelers tijdens internationale kampioenschappen hun ervaring gebruiken om het nationale team van Ivoorkust te versterken. 

    Daniele Canepa, een expert op het gebied van voetbalhandel en auteur van het boek ‘In welke mate? Internationale Handel in Jonge Atleten,’ voegt toe dat mensen die denken dat het mensenhandelprobleem begint en eindigt bij nepscouts, net zo kortzichtig zijn als mensen die drugsdealers de volledige schuld geven van drugsverslaving.

    ‘Het is een systemisch probleem,’ benadrukt Canepa. ‘De onderliggende vraag is hoe de mens wordt beschouwd als sportman. Aan de ene kant hebben we de neiging om atleten als machines te zien die moeten presteren. Aan de andere kant is er de commodificatie van de speler, die in deze sector meer wordt geaccepteerd dan in andere sectoren, waar het gegarandeerd verontwaardiging zou veroorzaken.’

    ‘Voetbalinstellingen en overheden over de hele wereld kunnen beter hun best doen om de voetbalhandel definitief uit te roeien’

    De website van de Fédération Internationale des Associations de Footballeurs Professionnels (FIFPRO) heeft een sectie gewijd aan — en voert regelmatig bewustwordingscampagnes over — voetbalhandel.

    ‘Toch doen we niet genoeg,’ zegt Bright, de voorzitter van Mission 89. ‘Voetbalinstellingen en overheden over de hele wereld kunnen beter hun best doen om de voetbalhandel definitief uit te roeien. Op dit moment is ons grootste project dan ook het pleiten voor de erkenning van de misdaad van sporthandel en het doorvoeren van beleid op Europees niveau. Echte politieke wilskracht is nodig, niet alleen verklaringen.’

    Simon Adingra is niet het enige Ivoriaanse slachtoffer van mensenhandel die het uiteindelijk toch tot profvoetballer wist te schoppen. In 2017 werden de toenmalige tieners Amad Diallo en Hamed Junior Traore, inmiddels middenvelders van Manchester United en Napoli, door een groep mensen die zich als familieleden voordeden naar Italië gesmokkeld. Toen de Italiaanse overheid hier enkele jaren later achter kwam, kregen beide voetballers $52.000 boete voor het vervalsen van reisdocumenten.

    Over hun ‘familie’ wilden Diallo en Junior Traore lange tijd niet praten, wat best logisch is. ‘In sommige gevallen beschouwen de slachtoffers de schimmige figuren die hen hebben opgelicht toch als een soort verlosser, omdat ze hen per slot van rekening naar Europa brachten,’ zegt Canepa. ‘En zodra spelers zich realiseren dat ze zijn verhandeld, waarom zouden ze aan de politie bekennen hoe ze het land zijn binnengekomen?’

    In afwachting op een kans

    In tegenstelling tot velen wil Armel Djaoum, 27, wel over zijn ervaring praten. ‘Ik denk dat God me deze ervaring heeft laten beleven zodat ik er getuige van kon zijn en heb daar dan ook beslist geen spijt van,’ zegt hij terwijl hij over een voetbalveld in Gravier, Songon loopt: een klein stuk grond met zandbodem gelegen tussen een bananenboomgaard en een bescheiden herberg waar een paar oude mannen kletsen en cola drinken. De doelen zijn gemaakt van roestige, met stukken net aan elkaar gebonden ijzeren buizen. Ongeknipt gras definieert de grenzen van het speelveld. 

    ‘Op dit veld scoorde ik mijn eerste goal. Het was mijn hele wereld.’

    Djaoum vertelt dat hij op 19-jarige leeftijd werd benaderd door een Kameroense scout die spelers uit West-Afrikaanse landen rekruteerde en hen naar Marokko stuurde voor proefperiodes bij een club in de derde divisie. Djaoum betaalde de man $2.100, maar de training vond nooit plaats. Zonder geld om naar huis te komen, en nog altijd in afwachting op een kans om te kunnen spelen, bleef Djaoum illegaal in Marokko voor een paar jaar totdat zijn vader, die hem financieel had ondersteund, ziek werd. Djaoum deed een beroep op de Internationale Organisatie voor Migratie voor vrijwillige repatriëring, zodat hij aan zijn vaders zij kon staan voor hij stierf.

    Niet iedereen was even blij met Djaoums terugkomst. ‘De mensen uit mijn dorp verwachtten een succesvolle speler. In plaats daarvan kregen ze een persoon zonder geld die hen teleurstelde,’ herinnert hij zich terwijl hij in het bankstelsel van zijn spartaans ingerichte woning zakt. ‘Ze namen me niet langer serieus. Toen ik weer ging trainen, maakten ze zelfs grapjes. Dat deed me pijn: ze wisten niet wat ik had meegemaakt.’

    ‘Ik geloofde veel in die kans in Ghana, omdat mijn moeder mij alles had gegeven om te slagen’

    Schaamte en angst voor vergelding achtervolgen de slachtoffers van mensenhandel en dragen volgens Bright mogelijk bij aan ondergerapporteerde gevallen. Zo had Serge, die niet één maar twee keer slachtoffer werd van mensenhandel, zijn verhaal tot nu toe nooit eerder publiekelijk gedeeld.

    Het tweede misdrijf gebeurde toen hij 16 was en voor een amateurclub speelde in Noord-Abidjan. Af en toe verscheen er een Italiaanse man op het trainingsveld, die ballen, shirts en andere voetbalspullen met zich meebracht. Niemand wist wie hij was of waar hij vandaan kwam, tot hij Serge en zijn teamgenoten een voorstel deed om in Italië een proefwedstrijd te spelen in het bijzijn van recruiters. De kosten waren astronomisch, bijna $5.000 per persoon, maar de families van de spelers waren door het dolle en gingen snel op zoek naar financiering. Serge’s moeder vroeg verschillende familieleden om leningen, maar kon het gevraagde bedrag niet bij elkaar krijgen. Gelukkig had de Italiaan nóg een aanbod: een wedstrijd in Ghana voor een lagere prijs.

    Serge ging naar Ghana, maar de wedstrijden bleken niets meer dan vriendschappelijke wedstrijden tegen lokale teams te zijn. Ook waren er geen scouts aanwezig om de spelers te observeren. Serge’s familie slaagde er nooit in om hem naar Italië te sturen, en dus keerde hij wederom met lege handen terug.

    ‘Ik geloofde veel in die kans in Ghana, omdat mijn moeder mij alles had gegeven om te slagen,’ zegt Serge terwijl zijn ogen afdwalen naar twee teams van jonge jongens die strijden op een modderig veld in Yopougon waar soms scouts komen kijken.

    Zittend in een café legt hij uit dat zijn moeder hem vroeger naar training bracht voor ze naar haar werk ging en hem na afloop weer ophaalde, waarbij ze veel van haar geringe salaris aan vervoer uitgaf. ‘Voor ze overleed, zei ze dat ik naar Ghana moest gaan om vervolgens naar een ander land met betere kansen te reizen. Helaas kon ik haar droom niet waarmaken.’

    Steun

    De mensenhandel heeft een zware tol geëist, zowel financieel als emotioneel. En niet alleen van Serge, maar ook van zijn familie. Toen hij zijn eigen gezin startte, besloot hij met voetbal te stoppen en ging hij op zoek naar een veiligere, betrouwbaardere manier om zijn kinderen te ondersteunen.  

    Na zijn ontberingen in de Filippijnen keerde ook Kouassi met lege handen terug naar huis. Tot zijn verbazing werd hij echter niet belachelijk gemaakt, maar verwelkomd. De onafgebroken steun van zijn familie gaf hem de kracht zijn droom om professioneel voetballer te worden na te streven. Ondanks zijn jonge leeftijd gaat Kouassi zelden op stap en volgt hij een gezonde levensstijl. Hij is onlangs lid geworden van Yopougon F.C., een derde divisieclub waar hij speelt voor een kleine beurs die zelfs het vervoer naar training en wedstrijden niet dekt. Maar de intentie om op te geven, heeft hij niet. Zijn doel is en blijft Europa te bereiken.

    ‘Elke dag probeer ik mezelf op te vrolijken,’ zegt hij terwijl hij zich voorbereidt om te gaan hardlopen. Hij pakt zijn voetbalschoenen en wijst naar een op een rommelige plank geplaatste trofee die hij won toen hij een tiener was. Hij benadrukt dat, zolang zijn lichaam functioneert, hij op het veld zal staan.

    ‘Cristiano Ronaldo is 39 jaar oud en blijft ook spelen. Waarom zou ik hetzelfde niet kunnen doen? Ik wil blijven spelen totdat ik me zwak voel, totdat ik de bal niet meer kan schieten.’

    15 min
  • Een gezonde democratie vraagt om aandacht

    Onze aandachtsspanne bedraagt inmiddels een armzalige 47 seconden. Maar sommige verhalen, zoals het postkantoorschandaal (een Britse versie van het toeslagenschandaal), weten nog steeds onze aandacht te trekken en onze woede aan te wakkeren.

    Het kost gemiddeld vierenhalve minuut om deze column te lezen, dus je moet een paar pauzes incalculeren om je erdoorheen te slaan.

    Dit is een column over… Sorry, waar was ik gebleven?

    O ja, dit is een column over onze aandach… wacht even…

    Sorry, ik kreeg een appje. Zo grappig.

    Maar goed, aandacht, en hoe dat in het komende jaar…

    Shit, weer een mailtje. Moment.

    Dat filmpje dat ik net zag over een auto-ongeluk op Insta, je gelooft je ogen niet. Iemand die in zo’n knoert van een SUV achter het stuur in slaap sukkelt… Maar ik dwaal af.

    Als we de sociale wetenschappers mogen geloven, bedroeg onze gemiddelde aandachtsspanne twintig jaar geleden tweeënhalve minuut. En nu nog maar 47 seconden. In 47 seconden kun je pakweg 120 woorden lezen, ongeveer zoveel als ik er nu geschreven heb, en dan… Hè nee toch, gaat het nou regenen als ik straks naar huis moet? Sorry, toch even kijken.

    Ik heb deze cijfers gehoord – gehoord, ja, luisterend naar een podcast, niet starend naar een schermpje – in de voortreffelijke Ezra Klein Show van The New York Times. Klein sprak daarin met Gloria Mark, een hoogleraar aan de University of California, Irvine, die zich gespecialiseerd heeft in onderzoek naar het hoe en wat van ons concentratievermogen.

    Omdat mensen zichzelf wijsmaken dat het wel meevalt met hun aandachtsspanne, heeft haar team dat door slimme software laten meten, en zo kwamen ze uit op dat vrij dodelijke getal van 47 seconden. Daarmee scoren we wel hoger dan een mug of een goudvis, maar misschien is het toch niet helemaal wat we hadden gehoopt na een slordige vier miljoen jaar evolutie.

    Klein omschrijft onze huidige wereld als een ‘aandachtsgestoorde maatschappij. We hebben tig dingen ontwikkeld die om onze aandacht schreeuwen en ons steeds meer opjagen, van tv tot TikTok.’ Daar kan hij weleens gelijk in hebben. En dan het verschijnsel van nieuws mijden.

    Ben je daar nog? Want als je even wilt checken wanneer je pakjes nou bezorgd gaan worden, geen punt hoor

    Het aantal mensen dat gestopt is met het lezen van of kijken naar bepaalde soorten nieuws is in het Verenigd Koninkrijk in vijf jaar tijd verdubbeld. Zo’n 40 procent van ons zegt het nieuws nu soms of zelfs vaak te mijden. Gevraagd naar het waarom zeggen de respondenten dat het nieuws te negatief is, te deprimerend. Sommigen vertrouwen het niet, anderen trekken het niet. Een flinke minderheid klaagt dat ze er niets mee kunnen. Ze voelen zich machteloos.

    Ik moest aan deze cijfers denken toen ik de verbluffende impact zag van ITV’s dramaserie over het Britse postkantoorschandaal. Binnen enkele dagen was de publieke verontwaardiging zo aangezwollen dat de autoriteiten als de wiedeweerga op hun schreden moesten terugkeren en alsnog met één pennenstreek honderden onterechte veroordelingen van postkantoorhouders hebben vernietigd.

    Het is niet zo dat dit verhaal in de jaren daarvoor geen aandacht kreeg van journalisten. Speciale vermelding verdienen wat dat betreft onder meer Computer Weekly, de Daily Mail, The Times, de BBC en het blad Private Eye. Maar om de een of andere reden kreeg het niet de aandacht van de massa. Die klikte op een grappig plaatje of keek de andere kant op.

    Zullen we hier even pauzeren zodat je, weet ik veel, een koekje kunt eten of zo?

    In de jaren twintig van de vorige eeuw voerden twee politieke denkers, John Dewey en Walter Lippmann, een lang en beroemd geworden debat over de relatie tussen media en democratie. Dat was honderd jaar geleden, dus dat debat had de vorm van dikke turven met stofomslag. Lippmann schreef een boek. Dan snoof Dewey misnoegd en zette hij zich aan het schrijven van een weerwoord. En het publiek lustte er wel pap van. Grote aandachtsspanne toen nog, weet je wel.

    Lang verhaal kort – want ik weet dat je op het punt staat even je banksaldo te checken –, Dewey vond het een essentiële bestaansvoorwaarde voor een gezonde democratie dat we nieuws tot ons nemen. Als kiezers hebben we een soort burgerplicht om geïnformeerd te blijven, want dan kiezen we vanzelf de beste mensen om ons te vertegenwoordigen.

    Leuk bedacht, wierp Lippmann tegen. Maar in zijn ogen was de grote massa gedoemd om buitenstaander te blijven, terwijl veel van wat de overheid doet, gedaan wordt en gedaan moet worden door insiders en deskundigen. En hij was ook van mening dat de pers nooit in staat zou zijn om de kiezers naar behoren te informeren.

    Aanhaken

    Ik heb mezelf altijd tot het Dewey-kamp gerekend, zoals waarschijnlijk de meeste journalisten. Maar ik geef toe dat zijn theorie spaak loopt als de kiezers afhaken of… Ach wat, ik moet echt even kijken waar dat pakje nou blijft.

    Maar bij het treurige verhaal van het postkantoorschandaal is het beeld veel genuanceerder. De makers van de tv-serie zullen de eersten zijn om toe te geven dat hun serie niet gemaakt had kunnen worden zonder het harde onderzoekswerk dat journalisten al bijna vijftien jaar in de zaak hadden gestoken. Zij stelden de vragen, verzamelden de cijfers, zetten vraagtekens bij de officiële verklaringen en schetsten zo stilaan de contouren van een groot schandaal. Daarna was er nog wat briljant scenarioschrijfwerk, regie en spel voor nodig om een versie van het verhaal neer te zetten die eindelijk breed aansloeg en publieke verontwaardiging wekte. 

    Dus misschien had Dewey toch gelijk. We kunnen het niet overlaten aan de ‘deskundigen’, zoals Lippmann wilde. De publieke opinie kan wel degelijk gemobiliseerd worden en een orkaan van protest veroorzaken die geen politicus meer kan negeren. Maar dan moeten we juist aanhaken, niet afhaken. Zoals we deden met Mr Bates vs The Post Office, vier afleveringen lang.

    Dus stop met dat nieuws mijden en hou je kop erbij. Onze democratie hangt ervan af.

    8 min
  • Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Het fascisme uit de jaren dertig veroorzaakte een genocidale oorlog. Inmiddels zijn de herinneringen vervaagd, net als het stigma dat aan extreemrechts kleeft. En dat is gevaarlijk voor de democratie.

    Overal ter wereld sterft de democratie uit. Dit klinkt misschien als paniekzaaierij, en roept op zijn minst een aantal vragen op. Want wat betekent dat eigenlijk? Komen er dan geen verkiezingen meer? Wordt de oppositie als crimineel afgespiegeld? Als dat de maatstaven zijn, is het Rusland van Vladimir Poetin nog altijd een democratie. Er zijn namelijk zes politieke partijen vertegenwoordigd in de Doema, het federale parlement, en er zijn in Rusland meer dan twintig geregistreerde politieke partijen. Maar zoals je waarschijnlijk begrijpt, is Rusland geen democratie: het is een natie die van een autoritair naar een totalitair regime afglijdt. Sinds Stalins tijd werden er niet zo veel Russen om politieke redenen vervolgd.

    Het geloof in de democratie is onmiskenbaar op zijn retour. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een vijfde van de Britten onder de vijfenveertig gelooft dat het land het best kan worden bestuurd door ‘een sterke leider die zich niet druk hoeft te maken over verkiezingen’, terwijl dit onder hun oudere landgenoten 8 procent is. Deze cijfers weerspiegelen wereldwijde trends.

    Uit een onderzoek van Cambridge-onderzoekers in 2020, uitgevoerd in honderdzestig landen, bleek dat jongere generaties steeds minder vertrouwen hebben in de democratie. Daarnaast toonde een analyse van het Pew Research Center aan dat in 2024 bijna twee derde van de burgers in twaalf hoge-inkomenslanden ontevreden was over de democratie, een aanzienlijke stijging ten opzichte van net onder de helft in 2017.

    Economische uitsluiting

    Waar komt dit vandaan? Het Cambridge-onderzoek concludeerde dat economische uitsluiting een belangrijke reden was voor ontevredenheid onder jongeren. We kunnen een wijze les trekken uit het geval van Rusland. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, verklaarde de nieuwe Russische president, Boris Jeltsin, in 1990: ‘We zorgen ervoor dat de levensstandaard van de mensen niet daalt, en in feite moet die op den duur kunnen stijgen.’

    Binnen vier jaar werd het reële inkomen van Russen gehalveerd, en door de schoktherapie-beleidsmaatregelen belandden 32 miljoen Russen in armoede. In 2021 sprak nog slechts 16 procent van de Russen zich uit voor ‘het westerse model van democratie’. De chaos van het vrijemarktkapitalisme werd gepresenteerd als democratie, wat leidde tot een diep gevoel van desillusie – iets waar Poetin handig op inspeelde.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen

    Groot-Brittannië heeft niet geleden onder de verschrikkingen van het Rusland van de jaren negentig. Toch vormde de giftige combinatie van neoliberaal economisch beleid en bezuinigingen een zware last voor de jongeren. Het thatcherisme beloofde vrijheid, maar leverde in plaats daarvan onzekerheid op. Stabiele banen zijn verdwenen, huurprijzen zijn gestegen, lonen gedaald, de jeugdzorg is gedecimeerd en afgestudeerden worden geconfronteerd met torenhoge schulden voor het volgen van een universitaire studie.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen. Het is geen wonder dat democratie steeds meer aan aantrekkingskracht verliest voor hen en voor hun leeftijdsgenoten in andere landen die evengoed lijden onder het neoliberalisme. In Frankrijk bijvoorbeeld zegt bijna een derde van de jongeren het vertrouwen in de democratie te hebben verloren.

    Maar er is nog iets anders aan de hand. Neem de Verenigde Staten. De jaren zestig en zeventig vormden de ideale voedingsbodem voor de opkomst en triomf van een Trump-achtig figuur. De economie zat in een crisis: een giftige mix van hoge inflatie en stagnerende groei. Er vonden agressieve racistische protesten plaats tegen de burgerrechtenbeweging en er waren rellen door heel de VS. Er was ook veel meer criminaliteit en geweld, met een verdubbeling van het aantal moorden tussen het midden van de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig.

    Nadat bijna zestigduizend Amerikaanse soldaten omkwamen in de oorlog in Vietnam, eindigde het conflict in een pijnlijke nederlaag en ontstond het gevoel dat de macht van de VS aan het afbrokkelen was. Het verzet tegen links was veel wijdverspreider, zoals blijkt uit de Hard Hat Riot van 8 mei 1970, toen in New York antioorlogsdemonstranten door honderden bouwvakkers werden belaagd. 

    Een vervaagd verleden

    De persoon die in die tijd het dichtst in de buurt van Trump nu kwam was George Wallace, een racist en aanhanger van segregatie, zij het nog altijd minder grof en leugenachtig dan de huidige gekozen president. Hij haalde 13,5 procent in de presidentsverkiezingen van 1968, en de VS kregen uiteindelijk Richard Nixon als president en daarna Ronald Reagan, een rechtse rakker van een heel ander soort. 

    Toch vertoonden de VS van de jaren zestig en zeventig veel minder ontvankelijkheid voor fascistische sympathieën dan in de jaren dertig. Charles Coughlin, een priester met nazisympathieën, had 30 miljoen luisteraars voor zijn radioshow op een Amerikaanse bevolking van minder dan 130 miljoen. Uit één opiniepeiling leek naar voren te komen dat hij wat populariteit en invloed betreft enkel voor president Franklin D. Roosevelt onderdeed.

    Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd

    Wat is er dan veranderd? De schaduw van het fascisme uit de jaren dertig, dat resulteerde in een genocidale vernietigingsoorlog, verliest aan kracht. Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd. Amerikaanse kiezers uit de jaren zeventig waren misschien diep gedesillusioneerd, maar een Trump zouden ze te veel naar Mussolini vinden neigen, of zelfs een Hitler. Van deze angst is nu geen sprake meer.

    De democratie onder het kapitalisme wordt altijd al sterk ingeperkt door bedrijfsbelangen en plutocraten die veel meer macht hebben dan de gemiddelde kiezer. Wanneer het kapitalisme in een crisis belandt, zoals in 2008, wekken de fundamentele tekortkomingen ervan de woede op van het volk. Het gaat erom wie hiervan profiteert. Extreemrechts heeft een verbijsterend succesvolle sociale mediastrategie ontwikkeld die steeds meer volgelingen radicaliseert, terwijl links lichtjaren achterloopt.

    Mensen hebben alle reden om woedend te zijn, maar hun woede is verkeerd gericht. Het geloof in de democratie brokkelt af als gevolg van een falend economisch systeem, en als er geen overtuigende antwoorden op deze crisis komen, kan dat fataal blijken te zijn.

    8 min
  • Spelen is meer dan zomaar een tijdverdrijf

    Omdat spelen goed is voor het brein en voor het sociale leven, kopen ook steeds meer volwassenen tegenwoordig wat kinderen leuk vinden: speelgoed. Fabrikanten hebben de trend ontdekt.

    Heike doet net iets gemeens. Ze schuift een plaatje zo vooruit dat Andreas zijn metrolijn in het spel Metro niet verder kan uitbouwen. En ja, dat ergert hem wel een beetje. Maar dan bedenkt hij hoe hij meer punten dan Heike kan halen.

    Christian bouwt daarentegen liever driedimensionaal. Legosteen op legosteen. En wat hij voor ogen heeft is zeker niet zomaar een of andere toren.

    Heike, Andreas en Christian spelen. Niet in een kinderkamer; ze zijn volwassen en deels al over de vijftig. Terwijl Andreas en Heike in hun vrije tijd graag ingewikkelde bordspellen spelen, zet Christian Velhagen in Binningen, bij Basel, op het ogenblik een heel bijzonder werk in elkaar: de ISD Aggressor, een ‘Star Destroyer’ uit het Star Wars-universum. Gelukkig krijgt hij daarbij hulp van zijn familie, ze moeten tenslotte in totaal meer dan vijftienduizend lego­stenen in elkaar zetten. Als het af is, zal het model bijna een meter lang zijn en ruim 12 kilo wegen. De bouwtekeningen heeft Velhagen overgenomen van een designer, de steentjes heeft hij zelf gekocht. Maar meestal koopt de domotica-ingenieur kant-en-klare sets van de fabriek, onlangs nog een personentrein. Hij is wat in de speelgoedbranche een ‘kidult’ wordt genoemd: een volwassene die speelgoed voor zichzelf koopt.

    Het gaat al lang om veel meer dan enkel oudere mannen die in hun hobbykelder aan hun modelspoorbaan knutselen

    En hij is niet de enige. De branche zet steeds meer geld om met deze kidults. Die term is samengesteld uit het Engelse kid (kind) en adult (volwassene). Marktonderzoekers schatten de omzet voor alleen deze doelgroep in Groot-Brittannië, Duitsland, Italië, Frankrijk en Spanje voor 2018 op ongeveer 1,9 miljard Zwitserse frank [circa 2 miljard euro], en het wordt alleen maar meer. Op de Speelgoedbeurs in Neurenberg werd de trend eind januari bevestigd. Het gaat al lang om veel meer dan enkel oudere mannen die in hun hobbykelder aan hun modelspoorbaan knutselen.

    Toen het gezin Velhagen in 2011 hun nieuwe huis betrok, gingen de legostenen mee. Daarvoor hebben ze in totaal 60 vierkante meter gereserveerd; inclusief opslagruimte en speelruimte is het zelfs zo’n 100 vierkante meter. In 2017 kwam Velhagen op het idee om zijn hobby meer ruimte te geven en stichtte hij in Binningen het museum LEbrickGO, waar hij overwegend zijn eigen modellen laat zien. ‘We hebben het record van 1 miljoen stenen gebroken,’ zegt hij.

    Maar voor Velhagen is lego meer dan verzamelen, bouwen en bezitten. Het speelgoed helpt hem tegen de stress. Wanneer hij moet nadenken, wikken en wegen, gaat hij ’s nachts zitten en begint hij te bouwen: een autootje, een huis, of iets anders: ‘Dat is heel ontspannend, net als joggen, het maakt je hoofd leeg.’

    Voordelen

    Wetenschappers hebben onderzocht wat er dan in het hoofd gebeurt. Door het spel kunnen in het brein allerlei neurale netwerken contact met elkaar maken die anders nooit met elkaar verbonden zijn. ‘We komen op heel nieuwe ideeën en oplossingen, krijgen meer levensvreugde, hebben weer voeling met onszelf, blijven creatief,’ zo beschrijft neurobioloog Gerald Hüther de effecten. Want hoe meer netwerken met elkaar verbonden zijn, des te creatiever een mens wordt. Ook raakt hij in het spel zijn angst kwijt.

    Spelen is dus meer dan zomaar een tijdverdrijf. Omdat het zo weldadig is, speelt Christian Velhagen zelden alleen met zijn lego; hij laat vrienden, of zijn zoon en zijn vrouw meespelen. Zijn passie is nooit een probleem geweest voor de relatie. ‘Het was altijd duidelijk dat ik een lego-mens ben,’ zegt hij. Zijn vrouw beziet zijn persoonlijke eigenaardigheid met een glimlach. Als ze een vreemde stad bezoeken, gaat Velhagen de speelgoedafdeling van warenhuizen langs en kijkt wat ze aan lego te bieden hebben.

    De tijd die ze samen met spelen doorbrengen, vinden ze beiden belangrijk. Terwijl ze met de steentjes bezig zijn, bespreken ze van alles en nog wat. ‘Bij moeilijke onderwerpen hoef je elkaar niet in de ogen te kijken, je richt je blik op de steentjes,’ zegt Velhagen. Lego is niet het enige speelgoed waar het paar van houdt. ‘Zaterdag zijn we gaan skiën, en daarna hebben we eerst met de Carrera-racebaan gespeeld.’

    Spelen maakt relaties hechter, je moet met elkaar van gedachten wisselen

    Spelen maakt relaties hechter, je moet met elkaar van gedachten wisselen. De lof van partner of vrienden zodra een bouwset van honderden of duizend stukjes is voltooid, geeft extra bevrediging. Bovendien geldt deze lof een bezigheid die op het eerste gezicht ­zinloos lijkt. Plastic blokjes op elkaar zetten, wat moet je daar nou mee? Toch heeft die bezigheid een doel, en levert die zelfs erkenning op. Socioloog Bastian Roet zegt: ‘Op het moment dat de koper van een bouwset met een doos de speelgoedwinkel uit loopt, weet hij al dat hij een paar dagen later een succesgevoel zal beleven.’ De modellen kunnen er ingewikkeld uitzien, maar dankzij de handleiding wordt het voor iedereen een succes.

    Dat de speelgoedbranche de volwassenen als aparte doelgroep heeft ontdekt, is ook te merken aan de prijzen. Zo kost een legomodel van de Millennium Falcon, het ruimteschip waarmee Harrison Ford als Han Solo door het Star Wars-universum vliegt, ongeveer 1000 frank. Bij de racebanen van Carrera betaal je voor de mooiste circuits een paar honderd frank. Daarbij komen nog accessoires zoals racewagens of een virtualrealitybril. Want de moderne Carrera-auto heeft een camera in de cockpit. In combinatie met de VR-bril besturen de spelers het voertuig vanuit het perspectief van de bestuurder. En in de profliga van Carrera racen volwassen hobbyisten uit Duitsland en Oostenrijk tegen elkaar. Volwassenen bouwen kegelbanen, hydraulische modellen en robots uit het assortiment van speelgoedfabrikant Fischertechnik. Of ze bouwen met Playmobil het Hambacher Fest, de bestorming van de Bastille of bekende stadstaferelen na.

    Op de Speelgoedbeurs van dit jaar presenteerde de firma Siku een model van een tractor van het merk Claas, schaal 1:32, per app bestuurbaar met de smartphone. Vol overgave hanteerden de volwassen bezoekers, mannen en vrouwen, de zes versnellingen, reden vooruit, achteruit, links- en rechtsaf, schakelden de 26 lichtdiodes in en uit, en draaiden de cabine rond.

    Speel-gen

    ‘Dat zijn producten die niet voor kinderen worden gekocht,’ zegt Axel Dammler van marktonderzoeksbureau Iconkids & Youth. Hij spreekt over een speel-gen dat de mens in zich zou dragen en dat hem in staat stelt zich even uit het dagelijks leven terug te trekken.

    Dat wordt ook duidelijk bij speelavonden. Andreas en Heike Pietsch zitten aan tafel en bouwen verder aan hun metronetwerk. Concentratie is belangrijk, een verkeerde zet kan de tegenstander punten opleveren. Heike weet haar voorsprong te verdedigen: ‘Ik vind het leuk om Andi te verslaan,’ zegt ze. In de kast liggen zo’n vijftig spellen. Het stel behoort daarmee tot de 70 procent van de Duitsers die volgens het instituut voor marktonderzoek Yougov kaart- en bordspellen speelt. Meer dan de helft van de ondervraagde personen voerde jeugdherinneringen op als reden, en ook de mogelijkheid om je uit de digitale wereld terug te trekken.

    Een goed spel houdt de speler in zijn ban. Je vergeet je omgeving, je voelt je uitgedaagd. Je gaat op in een andere wereld. Flow, noemen psychologen deze toestand.

    In de schappen van de spelletjeswinkel zou iedereen iets moeten kunnen vinden

    Maar niet elk spel is voor iedereen geschikt. Zo overvallen spelers van Colt Express samen een trein – en werken ze elkaar daarbij tegen, met wilde schiet- en knokpartijen. Andi vindt het een leuk spel, omdat de spelregels veel acties onvoorspelbaar maken en strategieën steeds weer in de war gestuurd worden. Maar juist die onberekenbaarheid bevalt Heike niet.

    Maar in de schappen van de spelletjeswinkel zou toch iedereen iets moeten kunnen vinden, of je nu een strategische uitdaging zoekt, gewoon plezier wilt hebben of je creativiteit de vrije loop wilt laten. Een relatief nieuwe tak zijn spellen met tussenbeloningen: kleine succesjes tussendoor zoals bij een computergame, bijvoorbeeld omdat de groep een raadsel heeft opgelost. ‘Daarmee bereiken we nieuwe doelgroepen, bijvoorbeeld mensen die tot nu toe alleen digitaal hebben gespeeld,’ zegt Silke Ruoff van Kosmos Verlag. Bij andere spellen werken de deelnemers samen in plaats van tegen elkaar, in de rol van brandweermannen gaan ze een brand te lijf, als zorgverleners bestrijden ze epidemieën.

    Socioloog Roet spreekt van een beschermde omgeving die door het spel mogelijk wordt gemaakt. Spelers zouden er zonder negatieve gevolgen hun karakter kunnen tonen of andere gedragspatronen kunnen uitproberen. Terughoudendheid, samen delen, agressiviteit en sluwheid, het hele palet van gevoelens is mogelijk – en als het spel uit is, is alles voorbij. 

    10 min
  • Sumoworstelaars tillen niet zo zwaar aan overgewicht

    Sumoworstelaars zijn te dik. Velen van hen lijden aan hoge bloeddruk en sterven vroegtijdig – in tegenstelling tot de gemiddelde Japanner, die de 81 haalt. Vrouwen bijna 87. Maar de sport wil kost wat het kost zijn oer-Japanse karakter behouden en koestert de zwaarlijvigen alsof het om museumstukken gaat.

    In april 2024 overleed de voormalige sumogrootmeester Taro Akebono op 54-jarige leeftijd aan hartfalen, en Takashi Fuke dacht direct: ‘Niet nog één.’ Hij was nooit echt een fan van Akebono’s vechtstijl geweest. Akebono kwam uit Hawaï en was in de jaren negentig de eerste buiten Japan geboren yokozuna, de Japanse benaming voor sumogrootmeester. Hij was anders dan de andere vechters, groter, zwaarder, agressiever, een ongure kerel met een lengte van 2.03 meter en een gewicht van ruim 230 kilo. Doorgaans probeerde hij zijn tegenstanders met een trommelvuur van slagen met de vlakke hand, zogeheten tsuppari, buiten de ring te drukken. Takashi Fuke houdt van de nationale sport van Japan, maar liever keek hij naar de fijne greeptechnieken van de Japanse broers Takanohana en Wakanohana, die indertijd Akebono’s sterkste rivalen waren. Maar natuurlijk had hij Akebono een langer leven gegund. Met 54 heb je normaliter nog wel wat jaren voor de boeg. Zelf is Takashi Fuke 77 en blij met elk groot toernooi dat hij nog zien kan. Het houdt hem sterk bezig dat zo veel sumoprofs vroegtijdig overlijden. Hij heeft het gevoel dat híj, een arts en voormalig sumotrainer, liefhebber is van de ongezondste wedstrijdsport ter wereld.

    Want Akebono’s vroegtijdige dood is niet uitzonderlijk. Takashi Fuke kan de hele lijst van yokozuna langslopen: slechts weinigen was een lang leven beschoren – heel anders dan de gemiddelde Japanner, die de 81 haalt. En het betreft niet alleen worstelaars op het allerhoogste niveau. In december 2023 overleed de 60-jarige Tsunefumi Terao. In zijn actieve jaren was hij nooit verder gekomen dan de op twee na hoogste rang in de sumo-ordening, maar hij werkte als een magneet op vrouwen en kreeg in zijn lange profcarrière de bijnaam ‘man van ijzer’.

    Na Terao’s dood schreef Takashi Fuke een artikel voor de gezondheidswebsite Yomi-doctor van de krant Yomiuri. Vrij vertaald luidt het opschrift: ‘Hoe lang gaan we nog door met de vroege dood van sumoworstelaars?’ Takashi Fuke schreef in zijn artikel: ‘Naar mijn ervaring is het geen toeval dat sumoworstelaars korter leven.’

    Ritueel

    In Tokio is het zomertoernooi aan de gang, het derde van de honbasho, de zes grote toernooien die de Japanse sumobond Nihon Sumo Kyokai elk jaar organiseert. Gedurende 15 wedstrijddagen strijden de profs uit de verschillende liga’s om promotie en degradatie. Voor de allerbesten gaat het om de keizerbokaal, een zilveren kampioenstrofee. Voor de Ryogoku Konkugikan, de sumo-hal in de wijk Sumida, waaien de bonte vlaggen van de sponsoren. Al wekenlang is het toernooi uitverkocht. De belangstelling is groot. Binnen speelt zich kalm en onverstoorbaar deze bijzondere gebeurtenis af, die het midden houdt tussen ritueel en sportwedstrijd.

    Bedachtzaam betreden de vechters de ring. Ze strooien zout, dat volgens de Japanse nationale religie shinto het strijdperk reinigt. Ze gaan voor de start in hurkhouding, blijven een tijdje zo zitten, de vuisten in het zand, de blik strak gericht op de tegenstander. Dan storten ze zich op elkaar, bliksemsnel, de hoofden naar voren als twee menselijke stormrammen, lillende vetrollen op hun reusachtige lijven.

    De publieke omroep doet elke dag live verslag. De sportkaternen van de kranten staan er vol mee. Ook Takashi Fuke kijkt natuurlijk. ‘Ik vind het leuk om te zien hoe de rikishi zich ontwikkelen.’ Rikishi is het Japanse woord voor sumoprofessionals. Zijn belangstelling gaat met name uit naar twee vechters uit de lagere rangen: Yuya Enho en Kazuki Ura. ‘Beiden hebben een goede techniek.’ Maar Enho is een lichtgewicht, zo’n 100 kilo bij een lengte van 1.68 meter, recentelijk had hij geen enkele kans. Ura kan het de grote sumoworstelaars daarentegen wel lastig maken met zijn veelzijdige vechtstijl en zijn massieve postuur, 142 kilo bij een lengte van 1.75 meter. ‘Ura is flink aangekomen,’ zegt Takashi Fuke – en meteen zitten we weer midden in het probleem van het sumoworstelen, hoewel Fuke er eigenlijk niet over wilde beginnen.

    Bij sumo laat Japan zich zien zoals eigenlijk niemand het land wil zien: gericht op het verleden, koppig, gesloten

    Sumoworstelaars zijn te dik. Gegevens van de sumobond wijzen uit dat de bodymassindex (BMI), de verhouding tussen gewicht en lichaamslengte, voor de 42 vechters uit de eerste liga gemiddeld 47,5 bedraagt – voor de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) begint obesitas bij 30. De gevolgen daarvan beschreef Fuke in zijn artikel: ‘Sumoworstelaars lijden veel vaker aan zogeheten welvaartsziekten als hoge bloeddruk, diabetes en jicht dan gewone mannen, en veel van hen overlijden aan oorzaken die hiermee verband houden.’

    Takashi Fuke zit in de lounge van een hotel in Tokio en misschien heeft hij al spijt van het gesprek. Hij hoort niet goed – dat is de leeftijd – en veranderen kun je immers toch niets. Bij sumo laat Japan zich zien zoals eigenlijk niemand het land wil zien: gericht op het verleden, koppig, gesloten. Takashi Fuke weet het. Hij zucht. Maar eigenlijk praat hij er niet graag over. Sumo hoort nu eenmaal bij zijn Japanse leven en vormt voor hem een troost in de stormen van de tijd die alles veranderen.

    Maar het heeft ook iets moois dat sumo zich verzet tegen de vooruitgang. De sport behoudt zijn oer-Japanse karakter alsof het om een museum gaat met levende stukken. Bij andere sporten komen moderne gewoonten tot uiting in tenue en kapsel. Sumo daarentegen is sinds de sport driehonderd jaar geleden als vorm van amusement werd ontdekt, nog hetzelfde: de beste worstelaars dragen alleen een zijden mawashi. Speciale kappers vormen met behulp van traditionele pommade en ingevet washipapier hun haar in een dubbelgevouwen paardenstaartje. En ze vechten op een met de hand opgeworpen lemen verhoging binnen een met rijststrobaaltjes afgebakende cirkel.

    Ichiyamamoto en Hokutofuji strijden tijdens het zesde gevecht op de eerste dag van het honbasho-toernooi in de Ryogoku Kokugikan in Tokio.– © Getty

    Sumo ziet er nu nog net zo uit als in het Japan van de jaren vijftig, toen Takashi Fuke nog een kind in Osaka was en voor het eerst zag hoe die zware, halfnaakte mannen met elkaar de strijd aanbonden. Hij had destijds geen keus, hij moest sumo wel leuk vinden. ‘Er was niets anders.’ Zijn familie had een abonnement op het maart-toernooi omdat ze contacten had met het theehuis dat het toernooi sponsorde. Takashi bewonderde die bomen van kerels met hun vette buiken. Hij wilde net zo worden als zij. ‘Bovendien dacht ik dat sumo makkelijk was.’ Wie de ander uit de ring drukt, wint. De wedstrijden duren meestal niet langer dan een paar seconden.

    Tijdens zijn studie medicijnen aan de Jikei Universiteit van Tokio ging Takashi Fuke serieuzer aan sumo doen. Maar het was al vroeg duidelijk dat hij het als sumoworstelaar niet ver zou schoppen. Hij was veel te klein. En hij kon niet zo veel eten.

    Als Takashi Fuke uit wil leggen hoe je een sterke sumoworstelaar wordt, begint hij met de twee basisoefeningen shiko en teppo. Bij shiko zakt de worstelaar door de knieën, tilt één been op, blijft even in die positie, laat het been weer zakken, maakt dezelfde beweging met het andere been en herhaalt die afwisseling soms wel honderdmaal. ‘Shiko zijn belangrijk, omdat je daarmee oefent het zwaartepunt laag te houden,’ vertelt Fuke. Bij teppo traint de worstelaar het wegduwen van zijn tegenstander, doorgaans tegen een pilaar. ‘Kin laten zakken, oksels bijeen.’ Fuke praat nu als de trainer die hij zelf ooit was. Er zijn nog veel andere klassieke oefeningen voor kracht en beweeglijkheid. Sumoprofs trainen normaal gesproken in de ochtend, uren achtereen, op een nuchtere maag. Daarna eten ze, en veel ook, want volgens de sumologica brengt meer gewicht meer overwinningen.

    Te mager

    Van Hakuho, de 69e yokozuna en succesvolste worstelaar in de geschiedenis van het sumo, is bekend dat aanvankelijk geen enkele sumostal hem wilde hebben omdat hij zo mager was. Hij woog 62 kilo toen hij, zoon van een Mongoolse worstelfamilie uit Ulaanbaatar, in oktober 2000 op 15-jarige leeftijd onder zijn geboortenaam Monkbatyn Dawaadschargal in Tokio arriveerde. Pas één dag voor hij terug moest naar Mongolië, kreeg hij toch een plek. Daarna was het allerbelangrijkste: eten. ‘Het enige wat ik deed was mezelf volproppen,’ zei hij later, ‘dat was zwaarder dan welke training dan ook.’ Toen hij in het voorjaar van 2004 zijn debuut maakte in de eerste liga, leek hij wel een ander mens. Hij was niet zomaar wat gegroeid; hij woog nu 135 kilo. Drie jaar later woog hij ruim 150 kilo.

    In drie jaar van 62 naar 135 kilo – ‘dat bestaat in geen enkele andere sport’, zegt Takashi Fuke. Zo’n extreme gewichtstoename kenmerkt veel sumocarrières, terwijl het eigenlijk niet in de aard van mensen ligt om zo zwaar te zijn. En al helemaal niet in Japan, waar men hecht aan een evenwichtige voeding en overgewicht minder voorkomt dan bijvoorbeeld in Europa.

    Sumoworstelaars eten ’s middags en ’s avonds doorgaans grote kommen witte rijst met allerlei ingrediënten of een voedzame chanko-stoofpot met vlees, groenten, zeevruchten en paddenstoelen. Dan gaat het om 7.000 à 10.000 calorieën per maaltijd. Voor Takashi Fuke was dat te veel. Gewone mannen hebben – afhankelijk van hun leeftijd en activiteiten – 2200 à 3000 calorieën per dag nodig. En als geneeskundestudent die zijn vak serieus nam, had Fuke ook geen tijd om na het eten urenlang te rusten, zodat de calorieën goed konden aanzetten. ‘Het behoort tot het talent van een sumoworstelaar om veel te kunnen eten,’ zegt hij, ‘wie dat niet kan, heeft het moeilijk.’

    Sumo is mensen vetmesten

    Sumo is mensen vetmesten. In elk geval het professionele sumo, dat door de Japanse sumobond Nihon Sumo Kyokai op de markt gebracht wordt. Verder is er nog een Internationale Sumo Federatie (ISF), met leden over de hele wereld. De ISF organiseert sumo voor mannen en vrouwen in verschillende gewichtsklassen, wil sumo als sport op de Olympische Spelen zien te krijgen en is lid van het Wereldantidopingagentschap (WADA). Het ISF-sumo is een soort lightversie van het Japanse origineel. Wie sumo wil zien, wil meestal het origineel zien. Ondanks alle evenementmarketing is het origineel in de Japanse beleving niet alleen een sport, maar ook een religieuze handeling.

    Takashi Fuke zegt: ‘Voor mij is sumo veeleer cultuur.’ Al tweeduizend jaar geleden maakte sumo deel uit van de rituelen waarmee Japanners de goden van het shintoïsme om een goede oogst vroegen. En nog steeds worden er toernooien op heilige plaatsen gehouden en heeft elke trainingshal een shinto-altaar. Voor conservatieve officials lijkt sumo daarom boven de seculiere moraal verheven, waar buitenstaanders altijd weer over beginnen.

    In de wereld van de Nihon Sumo Kyokai vechten geen vrouwen. Men kent er geen gewichtsklassen of regelmatige dopingcontrole. Al eeuwenlang gelden dezelfde hiërarchieën, regels en kledingvoorschriften. Momenteel zijn er ongeveer 550 professionele sumobeoefenaars, verdeeld over 44 sumostallen. Wie tot een van die stallen toegelaten is, moet een half jaar naar de sumoschool om de sumo-etiquette met alle plichten, verboden en rituelen te leren. Alleen door grote toernooien te winnen kunnen de atleten promoveren naar een hogere liga en rang, wat hun meer geld en ook meer vrijheid oplevert. En geen enkel wetenschappelijk bewijs lijkt de eeuwenoude leer dat veel eten het juiste postuur oplevert, onderuit te kunnen halen.

    Droombaan

    Blijkbaar weten de vechters zelf niet eens of het professioneel beoefenen van sumo wel echt een droombaan is. Naoya Kusano moest daar in elk geval eerst over nadenken toen hem gevraagd werd waarom hij van sumo hield. De 22-jarige Kusano is de huidige Japanse studentenkampioen. Recentelijk is hij toegelaten tot de Isegahama-stal. Op deze zomer-basho maakt hij zijn debuut. Nu maakt hij dus deel uit van het exclusieve kringetje professionele worstelaars, zal hij zijn haar laten groeien voor het traditionele sumokapsel, een ringnaam krijgen en zijn leven instellen op een dagelijks leven van trainen, eten en wedstrijden.

    De vraag waarom hij van sumo hield, werd hem gesteld in juni 2023 in de sumohal van de Nihon Universiteit, een van de beste adressen voor talent. De training was afgelopen. In de keuken ernaast werden de gerechten voor de volgende schranspartij klaargemaakt. Kusano straalde de geroutineerde vriendelijkheid uit waarmee sportprofessionals vragen van verslaggevers afwerken. Het leek erop dat hij het woord ‘houden van’ niet vaak in verband met sumo gehoord had. Uiteindelijk antwoordde hij: ‘Houden van is misschien niet het goede woord.’

    Wedstrijdsport is geen lolletje. Het gaat om veel geld.

    Sumoworstelaars in de ring tijdens de eerste dag van een van de honbasho-toernooien in de Ryogoku Kokugikan in Tokio. – © Getty

    De zware fysieke belasting leidt vaak tot blessures en zorgt ervoor dat het lichaam harder moet werken dan onder normale omstandigheden. Officials, trainers en verzorgers moeten daarom extra alert zijn dat sporters geen blijvende schade oplopen. Ook bij de voeding. En als voedingswetenschapper Anja Carlsohn van de Hogeschool voor Toegepaste Wetenschappen in Hamburg aan sumo denkt, heeft ze daar geen goed gevoel bij.

    Anja Carlsohn is woordvoerster van de werkgroep sportvoeding van de Duitse Vereniging voor Voeding en zelf geen sumo-expert. Maar duidelijk is dat zij niemand zou aanraden om in slechts drie jaar tijd zijn gewicht te verdubbelen. Bij sommige Olympische sporten is het wenselijk om aan te komen. Bij bobsleeën bijvoorbeeld omdat een bob harder gaat wanneer de mensen erin zwaarder zijn. ‘Voeding staat normaliter in dienst van het trainingsproces, om spieren op te bouwen,’ legt Anja Carlsohn in een videogesprek uit. ‘Maar wanneer je simpelweg alleen maar snel gewicht aanmaakt, betekent dat een belasting voor het organisme omdat het lichaam vet opslaat, niet alleen vlak onder de huid, maar ook diep in het lichaam. Dat zogeheten viscerale vet zit rond de organen, beïnvloedt de stofwisseling en kan leiden tot vaatvernauwing, een verstoorde bloedsuikerspiegel of andere risicofactoren.

    Twintig jaar geleden bleek uit onderzoek van de Nihon Universiteit dat sumoworstelaars een relatief hoog percentage spiermassa hadden. Uit hun hoge BMI kon dus niet automatisch worden afgeleid dat ze ziekelijk zwaarlijvig waren. Anja Carlsohn kan daarin meegaan. Ook andere studies wijzen uit dat actieve dikke mensen doorgaans gezonder zijn dan magere mensen die niet aan sport doen. Toch vindt zij de verhalen op internet dat sumoworstelaars vanwege hun zware training vrijwel geen visceraal vet zouden opslaan, nogal boud. ‘Ik zou niet weten hoe dat in zijn werk zou moeten gaan,’ zegt ze. ‘Helaas heb je de plek waar je aankomt niet voor het uitkiezen.’

    De Japanse sumobond heeft tien voedingsrichtlijnen opgesteld voor zijn atleten. Met onder meer de waarschuwing om zo mogelijk af te zien van chips en donuts en goed te kauwen. Voor het overige mogen de sporters naar eigen goeddunken aankomen. Op vragen van de Süddeutsche Zeitung wil de bond niet ingaan. Sumo-officials spreken in beginsel alleen met mediamensen die lid zijn van de Sumo Press Club. Maar ook bij deze hofverslaggevers gaat de bond een echt gezondheidsdebat uit de weg.

    ‘Sumo is sumo. Als trainer kun je daar niet met een medische bril naar kijken’

    Worstelaar Shobushi uit de Takadagawa-stal overleed in mei 2020 aan het coronavirus, 28 jaar oud. Shobushi had diabetes en overgewicht, waardoor hij extra vatbaar was voor een heftig covid-19-verloop. Maar Kyokai-voorzitter Nobuyoshi Hakkaku sprak: ‘Als een echte worstelaar heeft hij zijn ziekte dapper gedragen en tot het eind toe gevochten. Nu wil ik dat hij in vrede kan rusten.’ Dat klonk als een definitieve mededeling die geen ruimte liet voor verdere gedachten.

    De oude dokter Takashi Fuke zegt: ‘Sumoworstelaars waren vroeger veel magerder.’ De normen zijn verschoven doordat niet langer alleen Japanners aan de competitie meedoen, maar ook zwaarlijvige Europeanen, Amerikanen en Mongolen. Bovendien is het voedsel tegenwoordig voedzamer. En hij kan daarover meepraten. Als trainer had hij vroeger van zijn atleten ook zaken gevraagd die hij als arts zou hebben moeten afraden. ‘Sumo is sumo. Als trainer kun je daar niet met een medische bril naar kijken.’

    Waarom kunnen sumoworstelaars niet gewoon atleten zijn met een normaal lichaam? Dat vraagt Takashi Fuke zich bij tijd en wijle af. Maar zou sumo zonder zulke lichamen nog wel sumo zijn?

    Sumo is een wereld die voor Japanners vertrouwd is. Wat dat voor de worstelaars betekent, krijgt nauwelijks aandacht. ‘Het publiek interesseert dat waarschijnlijk niet,’ zegt Takashi Fuke. Hij vraagt zich af of daar ooit verandering in komt. Dat zou hij wel willen. Maar Takashi Fuke kent zijn sport en hij kent zijn land. Hij denkt van niet. 

    19 min

About Audio – 360 Magazine

From the publisher's feed

Het beste uit de internationale pers