Over “Arbeit macht frei”, “Van de rivier tot de zee” en de verantwoordelijkheid van christelijke taal.
In veel kerken vindt een stille verschuiving plaats. Waar de verbondenheid met Israël ooit vanzelfsprekend was, groeit nu de twijfel en soms vertoont het zich als jodenhaat. Beelden uit het Midden-Oosten zijn rauw, emoties lopen hoog op en velen vragen zich af: kunnen we ons nog steeds met Israël identificeren zonder onrecht te bagatelliseren? De vraag is trouwens ook of men zich ooit bewust met Israël identificeerde. Bij velen bestaat onwetendheid over de diepe banden die bestaan tussen de christelijke leer en geschiedenis en het bestaan van het Joodse volk, dat zonder de staat Israël niet had kunnen overleven na 1948.
Het is meer dan ooit nodig om waakzaam te blijven ten aanzien van de taal die in het kerkelijke debat circuleert. Want woorden zijn nooit neutraal. Ze dragen wereldbeelden over, ze vormen morele intuïties en soms – hoe subtiel ook – effenen ze de weg naar ontmenselijking. Dat geldt voor termen als apartheid, genocide, koloniale onderdrukking, die zonder kennis van de feiten als aantijgingen tegen Israël worden gehanteerd. Een fraai voorbeeld van het onbekommerd gebruik van dergelijke termen was te vinden in het laatste nummer van “Mondig”, waar ik onlangs over geschreven heb.
Twee slogans die in hun functie vergelijkbaar blijken te zijn, zijn “Arbeit macht frei” en “Van de rivier tot de zee, Palestina zal vrij zijn”. Ze stammen uit totaal verschillende tijden, en uit verschillende contexten, maar ze delen een gevaarlijk mechanisme dat kerken niet mogen negeren.
“Arbeit macht frei” is een voorbeeld van taal die als een masker dient voor vernietiging. De woorden boven de poorten van de nazi-kampen waren een ideologisch wapen. Ze waren bedoeld om een systeem van uitbuiting en vernietiging te verbergen. De slogan symboliseert een wereldbeeld waarin het Joodse volk geen bestaansrecht had. Voor kerken is dit geen ver verleden. Het is een herinnering aan wat er gebeurt wanneer een volk collectief wordt ontmenselijkt – vaak met taal als eerste stap.
De hedendaagse slogan “Van de rivier naar de zee” wordt door verschillende groepen verschillend geïnterpreteerd. Een enkeling in de kerk denkt dat het gebruikt wordt om vrijheid voor de “Palestijnen” aan te duiden. Maar de meesten beseffen wel dat dezelfde woorden verwijzen naar een toekomst zonder Israël als staat en in feite ook de genocide op het Joodse volk.
Voor veel Joodse gemeenschappen klinkt de slogan niet als een oproep tot vrede, maar als een existentiële bedreiging. En kerken moeten deze ervaring serieus nemen, juist omdat ze weten hoe taal kan kwetsen. Het gaat hier niet om het ontkennen van Arabisch lijden – dat verdient diepe aandacht en mededogen. Het gaat erom een retorisch patroon te herkennen dat kerken uit de geschiedenis zouden moeten kennen: woorden die een volk uitwissen nog voordat ze hardop worden uitgesproken.
De vergelijking tussen de twee slogans is geen vergelijking van historische gebeurtenissen. De Holocaust staat, in zijn unieke vorm, buiten elke vergelijking. Maar de retorische functie van beide slogans onthult iets van groot belang voor kerken:
- Beide kunnen worden gebruikt om een volk af te schilderen als een collectief probleem.
- Beide kunnen een wereldbeeld normaliseren waarin Joden geen plaats hebben.
- Beide kunnen – bewust of onbewust – bijdragen aan ontmenselijking.
En precies hierin ligt de verantwoordelijkheid van de kerk. Want wanneer kerken hun band met Israël overwegen, moeten ze dat doen vanuit theologische diepgang, niet vanuit slogans die de menselijke waardigheid van een volk ondermijnen.
De kerkelijke verleiding ligt in het zoeken van een aantrekkelijke morele helderheid door een vereenvoudiging van de kwesties tegen de feiten in. Veel gelovigen hechten hoge waarde aan het idee van gerechtigheid. Dat verlangen is heilig. Maar in tijden van conflict bestaat er een gevaarlijke verleiding: complexe realiteiten te reduceren tot simpele tegenstellingen.Slogans bieden een vals gevoel van veiligheid. Ze geven het gevoel dat je aan de goede kant staat. Maar ze maken ons blind voor de waardigheid van Israël – en dat is precies wat de kerk niet mag laten gebeuren.De band met Israël is nooit louter politiek geweest. Ze is geworteld in een:
- gedeelde schrift – de Tenach als ons Oude Testament
- gedeelde God – de God van Abraham, Izak en Jakob is de Vader van Jezus Christus in de christelijke belijdenis.
- gedeelde verlossingsgeschiedenis – ook voor christenen is de uittocht uit Egypte, Gods grote verlossingsdaad, het model van Gods bevrijdende wil
- gedeelde roeping tot gerechtigheid die christenen fundamenteel op de manier begrijpen die we in de Torah uitgedrukt vinden.
- gedeelde verantwoordelijkheid. Immers, de Holocaust was mogelijk door de “theologie van de verguizing”, de eeuwenlange antisemitische verdraaiing van de christelijke theologie.
Dit betekent niet dat Israël boven kritiek verheven is. Maar het betekent wel dat kerken voorzichtig moeten zijn met taalgebruik dat – bewust of onbewust – het bestaansrecht van het Joodse volk relatief devalueert. Iedereen weet dat ontmenselijking altijd begint met woorden.
Kerken zullen moeten kiezen tussen solidariteit met het islamisme, dat de fictie van een Palestijnse staat heeft voortgebracht, en solidariteit met Israël. Solidariteit met Israël hoeft de humanitaire zorg voor de Arabische slachtoffers van Hamas-terreur en oorlogsgeweld niet uit te sluiten. Maar dit vereist wel het vermijden van zinloze slogans en taalgebruik dat geen recht doet aan de waardigheid van Israël als democratische staat.
De vraag die kerken zichzelf zouden moeten stellen is: welke woorden berusten op feiten en welke woorden bevorderen vrede? – En welke woorden en slogans berusten op de propaganda van een terreurorganisatie en bereiden voor op geweld?
Become a supporter of this podcast: https://www.spreaker.com/podcast/beit-ahavat-ha-torah--5753331/support.