
Sign up to save your podcasts
Or


Ernst Toch (1887-1964) – Strijkkwartet no.8 in Des-gr.t., opus 18 (1910)
Uitvoerenden: Verdi Quartet
CD: CPO
Max Reger (1873-1916) – Strijkkwartet in fis-kl.t. opus 121 (1911)
Uitvoerenden: Berner Streichquartett
CD: CPO
Anton Webern (1883-1945) – Drei Stücke für Streichquartett (1913)
Uitvoerenden: Emerson String Quartet en MaryAnn McCormick, mezzosopraan
CD: DGG
Vandaag drie werken uit 1910, 1911 en 1913. Allereerst van Ernst Toch, die in zijn eigen woorden “bij niemand gestudeerd heeft […] Ik werd aan mijzelf overgelaten, en het lukte me tenslotte geheel als autodidact met studeren verder te komen.” Na het winnen van de Mozartprijs in 1909 begon hij als een razende te componeren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zijn Achtste strijkkwartet als drieëntwintigjarige schreef! En wat voor muziek: expressief, doorwrocht en zelfverzekerd.
Waar Ernst Toch in 1910 min of meer aan het begin van zijn loopbaan stond, begon Max Reger in die tijd aan de laatste fase van zijn muzikale ontwikkeling, een tijd waarin hij de overdadigheid van vroegere werken achter zich had gelaten en niet alleen economischer, maar vooral ook intiemer, meer naar binnen gekeerd begon te schrijven.
Als afrondend contrast volgen nu drie ultrakorte stukken van Anton Webern. Amper twee en halve minuut muziek, die overigens niet minder intiem en intens is dan die van Max Reger.
Max Reger (1873-1916) – Strijkkwartet in Es-gr.t., opus 109 (1909)
Uitvoerenden: Berner Streichquartett
CD: CPO
Alban Berg (1885-1935) – Strijkkwartet, opus 3 (1910)
Uitvoerenden: LaSalle Quartet
CD: DGG
Na het uitermate omvangrijke en toentertijd als hoogst modern ervaren Strijkkwartet opus 74, is het volgende strijkkwartet van Max Reger, in Es-gr.t. (opus 109) uit 1909 enigszins getemperd van toon. Dat wil niet zeggen dat de gebruikte technieken minder complex zijn, maar wel dat deze werken als lyrischer worden ervaren. Prachtig is het hymnische thema van het Larghetto. Hierin is Reger op z’n best. Ingetogen, bijna huiselijk, als klinkend product van de gegoede burgerij van het Duitse keizerrijk.
In 1910, het jaar nadat Weberns Fünf Sätze voor strijkkwartet en Schönbergs Fünf Orchesterstücke voltooid werden, begon Alban Berg aan zijn Strijkkwartet opus 3. Met dit tweedelige werk (Langsam en Mässige Viertel) rondde hij zijn studie bij Schönberg af. Zijn leermeester bleef echter kritisch en erkende pas veel later, na diens dood: “Reeds uit Bergs vroegste composities, hoe onvolmaakt die ook waren, kon men twee aspecten afleiden. Ten eerste, dat muziek voor hem een taal was waarin hij zich inderdaad wist uit te drukken. Ten tweede: een overdaad aan warmte en gevoel… En, als alle jonge, begaafde mensen in die tijd, was hij doordrenkt met muziek; hij leefde in muziek.”
Karl Weigl (1881-1949) – Strijkkwartet nr.3, in A-gr.t., opus 4 (1909)
Uitvoerenden: Artis Quartett Wien
CD: Orfeo
Anton Webern (1883-1945) – Streichquartett (1905)
Uitvoerenden: Emerson String Quartet
CD: DGG
Anton Webern (1883-1945) – Sechs Bagatellen, opus 9 (1913)
Uitvoerenden: Quartetto Italiano
CD: Philips
Karl Weigl zond zijn Derde strijkkwartet in voor de jaarlijkse Beethovenprijs en verwierf deze prestigieuze erkenning van het Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen inderdaad in 1910. In het kwartet wordt de luisteraar – wellicht niet zonder enig gevoel voor humor – aan Beethoven herinnerd: het laatste deel van het kwartet wordt gekleurd door de inzet van het scherzo van Beethovens Negende symfonie.
Na dit kwartet van Weigl gaan we vier jaren terug in de tijd, maar tegelijk een grote stap vooruit in de muzikale techniek. Immers, in zijn eendelige Strijkkwartet ging Anton Webern harmonisch en melodisch tot het ultiem mogelijke. De chromatiek is zo hevig dat de muziek nergens tot rust komt.
Tot slot de overtreffende trap van Weberns vroege expressionisme: de Sechs Bagatellen opus 9, die tussen 1910 en 1913 zijn ontstaan. Elk van deze ultra korte deeltjes past op een enkele pagina en zit boordevol indicaties over hoe elke noot gespeeld moet worden, hoe elke toon moet klinken: open, neuzig, flageolet, luid of zacht, en dat alles ook nog met tal van tempo-nuances.
Arnold Schönberg (1874-1951) – Strijkkwartet nr.2, in fis-kl.t.,
opus 10 (1907-08)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett, Christiane Oelze
CD: MDG
Anton Webern (1883-1945) – Langsamer Satz (1905)
Uitvoerenden: Emerson String Quartet
CD: DGG
Anton Webern (1883-1945) – Fünf Sätze für Streichquartett, opus 5 (1909)
Uitvoerenden: Emerson String Quartet
CD: DGG
De vernieuwing in het Strijkkwartet in fis-kl.t., opus 10, is te vinden in de toevoeging van een sopraan in het derde (Litanei) en het vierde deel (Entrückung). Deze zingt teksten uit Der siebente Ring uit 1907 van de dichter Stefan George (1868-1933). Deze daad heeft overeenkomsten met het toevoegen door Beethoven van een koor aan zijn laatste symfonie. De vraag die we ons moeten stellen is of dit kwartet dan nog wel een kwartet is.
Schönberg beschouwde de zangstem als een onvermijdelijke noodzakelijkheid. Hij had met deze muziek namelijk een persoonlijke crisis te bezweren en de gedichten van Stefan George moesten daar uitdrukking aan geven. De crisis betrof de liefdesaffaire van zijn vrouw Mathilde met de jonge schilder Richard Gerstl (1883-1908).
De Langsamer Satz uit 1905 van Anton Webern is eveneens aan een liefde verbonden, namelijk voor zijn verloofde Wilhelmine Mörtl. In deze muziek is goed te horen dat Webern wist hoe hij een prachtige melodie moest schrijven. Hoe snel de ontwikkeling van de jonge Webern verliep, blijkt uit de Fünf Sätze für Streichquartett (opus 5) uit 1909. In amper vier jaar tijd transformeerde zijn muziek van tonaal en melodieus naar atonaal, contrastrijk, gecondenseerd en hyper-emotioneel.
Arnold Schönberg (1874-1951) – Strijkkwartet nr.1, in d-kl.t., opus 7 (1904-05)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
CD: MDG
Anton Webern (1883-1945) – Rondo (1906)
Uitvoerenden: Emerson String Quartet
CD: DGG
Met het Eerste strijkkwartet, in D-gr.t., opus 7 uit 1905, heeft Schönberg een enorme stap gezet na het eerdere kwartet in D-gr.t. uit 1897. Zijn officiële eersteling is een omvangrijke, dramatische, onrustige, contrastrijke en hyper-expressieve partituur geworden, als een lang verhaal over meerdere segmenten met een veelheid aan temposchommelingen. Schönberg heeft met dit werk zonder meer zijn meesterproef afgelegd.
Overigens, is dit kwartet voor hem niet alleen een technische proef geweest, maar naar het lijkt – op basis van de aantekeningen in de schetsen – ook een emotionele beproeving. Daar staan uitlatingen als ‘rebellie, trots’, ‘wanhoop’, ‘strijdlustige kracht’, ‘ontwikkeling van de fantasie’, ‘opperste bedwelming van de zintuigen’ en ‘stille vreugde en introspectie van vrede en harmonie”.
De partituur en partijen van het Rondo voor strijkkwartet uit 1906 van Anton Webern zijn pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw te voorschijn gekomen. Het is een opvallend werk van een jonge componist.
Karl Weigl (1881-1949) – Strijkkwartet nr.1, in c-kl.t., opus 20 (1905)
Uitvoerenden: Artis Quartett Wien
CD: Nimbus
Hans Pfitzner (1869-1949) – Strijkkwartet nr.1, in D-gr.t., opus 13 (1903)
Uitvoerenden: Franz Schubert Quartett
CD: CPO
Alexander von Zemlinsky heeft niet alleen Arnold Schönberg op weg geholpen, maar ook Erich Korngold, Hans Krása, Alban Berg, Anton Webern en Karl Weigl. Weigl studeerde evenals de iets jongere Anton Webern zowel compositie en orkestdirectie als muziekwetenschap. Tot de Anschluss in 1938 liep Weigls loopbaan op rolletjes, als docent aan zowel het conservatorium als de universiteit, dirigent en componist. Hij koos bewust voor een plaats in een grote traditie van klassiek-romantische componisten, die van Mozart en Beethoven via Brahms, maar ook via Bruckner en Mahler, tot in de 20e eeuw doorloopt. Het Eerste strijkkwartet van de 24-jarige Weigl is wat ze in het Duits noemen een Schwungvoll werk.
Het eerste deel (In Mässig gehender Bewegung) van het Eerste strijkkwartet, in D-gr.t., opus 13 uit 1903 van Hans Pfitzner laat horen dat deze eveneens een plaats in de grote ‘Duitse’ traditie van de toonkunst verkoos. Pfitzner leefde nadrukkelijk in de herfsttij van een grootse cultuur. In zijn eerste kwartet is vooral de aanwezigheid van Brahms hoorbaar.
Max Reger (1873-1916) – Strijkkwartet in d-kl.t., opus 74 (1904)
Uitvoerenden: Berner Streichquartett
CD: CPO
Het programma van vandaag bestaat uit het omvangrijke Strijkkwartet in d-kl.t. opus 74 van Max Reger uit 1904. Het werk is bijna een symfonie voor strijkkwartet. Met dit opus heeft Reger een partituur gepresenteerd waarmee zelfs critici die hem als een conservatieve volgeling van Beethoven en Brahms hadden weggezet, moesten erkennen zich vergist te hebben. Reger was modern en Schönberg zou hem enkele jaren later daarin volgen door nòg moderner te zijn.
Eind december 1905 stond in Het Vaderland het volgende over het karakter van Max Reger: “Waar deze fidele Beier zich vertoont, kan het niet anders of hij moet zich, behalve door zijn gaven, door zijn opgeruimdheid en humor, vrienden maken. […] De mens Reger kan ons helpen de kunstenaar Reger te verstaan. Men heeft meer dan eens de vraag gesteld, of men bij hem te doen heeft met „manier” of met „stijl”. Het komt mij voor dat, gegeven de persoonlijkheid van Reger, elke gedachte aan „manier” moet vervallen. Hij schrijft zo ingewikkeld, omdat hij niet anders kan.”
Max Reger (1873-1916) – Strijkkwartet in g-kl.t. opus 54:1 (1900)
Uitvoerenden: Berner Streichquartett
CD: CPO
Max Reger (1873-1916) – Strijkkwartet in A-gr.t. opus 54:2 (1900)
Uitvoerenden: Berner Streichquartett
CD: CPO
Max Reger (1873-1916) – Strijkkwartet in d-kl.t., WoO 2 (1889)
Uitvoerenden: Berner Streichquartett
CD: CPO
Max Reger werd rond 1900 als hoogst modern beschouwd. Maar hij keek ook achterom. Zo bracht Reger verschillende ontwikkelingen in zijn muziek bijeen: ten eerste zijn bewondering voor de absolute muziek van Johannes Brahms, daarnaast – als organist – de liefde voor de muziek van Bach, vervolgens als jonge Duitser zijn zwak voor Wagners heftige chromatiek.
De twee Strijkkwartetten opus 54, beide uit 1900, zijn een direct vervolg op die van Brahms. Het Kwartet in g-kl.t. (opus 54:1) is een groots opgezet vierdelig werk. We krijgen hier de indruk dat Reger soms meer wil zeggen en uitdrukken dan hij met vier instrumenten kan realiseren.
Het driedelige Strijkkwartet in A-gr.t. (opus 54:2) is tegenover het vorige veel luchthartiger, hoewel niet minder complex. Hoe lastig deze muziek is, blijkt wel uit het feit dat bij de eerste uitvoering in 1904 de leden van het kwartet door de aanhoudende chromatiek nauwelijks in staat waren zuiver te spelen. ‘Mijn kwartet klinkt alsof het door een straalbezopen faun gecomponeerd is’, meende Reger.
Alexander von Zemlinsky (1871-1942) – Strijkkwartet nr.1, in A-gr.t., opus 4 (1896)
Uitvoerenden: Brodsky Quartet
CD: Chandos
Arnold Schönberg (1874-1951) – Strijkkwartet in D-gr.t. (1897)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
CD: MDG
Alexander von Zemlinsky en de drie jaar jongere Arnold Schönberg liepen gezamenlijk langs de weg van Brahms klassieke romantiek naar een uitgesproken expressionisme. Rond 1895 was dat laatste echter nog niet zover, zoals duidelijk is bij het eerste Strijkkwartet, in A-gr.t., opus 4 uit 1896 van Zemlinsky en het Strijkkwartet in D-gr.t., zonder opusnummer, uit 1897 van Schönberg.
Zemlinsky studeerde onder meer bij Anton Bruckner, en werd al jong door Brahms als een opvallend talent erkend. Schönberg ontmoette zijn latere leraar toen hij als amateurcellist in het orkest Polyhymnia meespeelde, dat door Zemlinsky was opgericht. Zij raakten bevriend, en Schönberg trouwde met Zemlinsky’s zuster Mathilde. Zemlinsky heeft Schönberg bovendien bij het schrijven en herschrijven van zijn eerste kwartet met raad en daad terzijde gestaan. In menig opzicht doet Schönbergs eersteling op het terrein van het strijkkwartet aan Brahms maar ook aan Dvořák denken.
Het Vierde strijkkwartet, in D-gr.t., opus 81, van Samuel de Lange dateert van 1901. Evenals bij Röntgen het geval is, lijkt ook deze muziek een stijlgetrouwe voortzetting van wat Brahms schreef. Maar het is geen blinde imitatie en verdient een plaats op het concertpodium.
Het Strijkkwartet in g-kl.t. van Julius Röntgen heeft de bijnaam ‘Fancy’ gekregen. Deze staat ongetwijfeld voor Phantasy en zo klinkt het gehele kwartet ook. Het eerste deel als een terugblik op oude tijden. Het tweede deel is eerder een groet aan zijn goede vriend Edvard Grieg. Het is kwikzilverig en toverachtig, maar ook moderner van klank. In het slotdeel wordt eer betoond aan Centraal-Europa.
Samuel de Lange – Strijkkwartet in D, nr.4, opus 81 (1901)
1. Allegro moderato, 2. Poco adagio, 3. Allegretto quasi andante, 4. Allegro con moto
Rubens Quartet
Julius Röntgen – Strijkkwartet in g-kl.t. ‘Fancy’ (rev. 1917)
1. Lento e sostenuto, 2. Presto leggiero, 3. Un poco allegretto, sempre con molto delicatezza, 4. Allegretto un poco tranquillo e con sentimento
Uitvoerenden: Párkányi Quartet
CD: Cobra Records
From the publisher's feed