
Sign up to save your podcasts
Or


Béla Bartók (1881-1945) – Strijkkwartet nr.5 (1934)
Uitvoerenden: Ragazze Quartet
Béla Bartók (1881-1945) – Strijkkwartet nr.6 (1939)
Uitvoerenden: Ragazze Quartet
Het Vijfde strijkkwartet van Bartók zit vol Balkandansen en telt twee nachtmuzieken. Het Zesde strijkkwartet is geheel gebouwd rond een prachtige, droevige altvioolmelodie (Mesto), die in het laatste deel geharmoniseerd terugkeert. De Tweede Wereldoorlog stond op het punt los te barsten en Bartók had het besluit genomen naar de Verenigde Staten uit te wijken.
Béla Bartók (1881-1945) – Strijkkwartet nr.3 (1927)
Uitvoerenden: Ragazze Quartet
Béla Bartók (1881-1945) – Strijkkwartet nr.4 (1928)
Uitvoerenden: Orpheus Quartet
Zoltán Kodály (1882-1967) – Strijkkwartet nr.2, opus 10 (1916/18)
Uitvoerenden: Kodaly Quartet
Bartóks Derde strijkkwartet is als een eendelige compositie opgezet. In het gehele kwartet zijn vrijwel geen zangmelodieën te vinden. Opvallend is de voor Bartók zo kenmerkende natuurmuziek; de sfeer is nachtelijk, verstild, met tal van verwijzingen naar geluiden van insecten, vogels, ja, zelfs de klank van de stilte.
Het vijfdelige Vierde strijkkwartet sluit naadloos op het Derde aan. De structuur is minstens zo doorwrocht en ingenieus. De nachtmuziek is in het hart van de muziek geplaatst, zo ijl en doorzichtig als slechts op het land voor te stellen is.
Met aan weerszijden een scherzo-achtig deel, en daaromheen het eerste en laatste deel. Ter aanvulling klinken het tweede en derde deel van het Tweede strijkkwartet van Kodály.
Béla Bartók (1881-1945) – Strijkkwartet nr.1, opus 7 (1908/09)
Uitvoerenden: Orpheus Quartet
Béla Bartók (1881-1945) – Strijkkwartet nr.2, opus 17 (1914/17)
Uitvoerenden: Ragazze Quartet
De zes strijkkwartetten van Béla Bartók kregen al snel na de dood van de componist in 1945 een onaantastbare status, te vergelijken met de kwartetten van Beethoven. Samen met zijn vriend en vakbroeder Zoltán Kodály onderzocht Bartók in de eerste decennia van de 20e eeuw uitgebreid de volksmuziek van zijn vaderland, niet in de laatste plaats omdat men de stadse zigeunermuziek in de cafés al te vaak als typisch Hongaarse beschouwde en daarmee voorbij ging aan de werkelijke aard van de Hongaarse volkskunst.
De drie delen van het Eerste strijkkwartet kunnen gezien worden als één doorgaande weg omhoog, van het duister naar het licht. In de inleiding (Introduzione) tot de finale parafraseert Bartók een populaire volksmelodie: “Er is maar één mooi meisje op de wereld”. Eenzelfde opbouw kent het Tweede strijkkwartet. Let vooral ook op het briljante Allegro molto capriccioso. Hoe spannend kan een scherzo zijn? Bartók raakt hier de kern van de Hongaarse volksmuziek.
Berthold Goldschmidt (1903-1996) – Strijkkwartet nr.2 (1933-36) (25:30)
Uitvoerenden: Mandelring Quartett
Hanns Eisler (1898-1962) – Strijkkwartet opus 75 (1938)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
Paul Hindemith (1895-1963) – Strijkkwartet nr. 7, in Es-gr.t. (1945)
Uitvoerenden: Danish String Quartet
Berthold Goldschmidt trad in 1932 op de voorgrond met de opera Der gewaltige Hahnrei. Zijn muziek werd snel daarop als ‘entartet’ verboden en in 1935 besloot Goldschmidt naar Engeland te vluchten, waar hij tijdens de oorlog voor de BBC werkte. Zijn Tweede strijkkwartet componeerde Goldschmidt deels nog in Duitsland, deels in Engeland.
Hanns Eisler begon in 1930 een samenwerking met Berthold Brecht met als resultaat enkele leerstukken, waaronder Die Massnahme en Die Mutter. In 1933, na de machtsovername door de nazi’s, werd zijn muziek verboden. Jarenlang reisde hij door Europa, de Verenigde Staten en Mexico, tot hij in 1942 naar Hollywood verhuisde. Zijn enige kwartet componeerde hij in 1938 in New York.
Hindemith schreef zijn Zeven strijkkwartet eveneens in de Verenigde Staten. Het was bestemd om met zijn vrouw en enkele studenten op de Yale universiteit uit te voeren en is in zijn beknoptheid zowel perfecte als hoogstaande huismuziek.
Niet anders dan Arnold Schönberg is ook Anton Webern zijn leven lang een voorstander geweest van expressieve muziek. Tegelijk was hij een groot kenner van de polyfonie van de vijftiende en zestiende eeuw met al haar technische vernuftigheden. Deze heeft hij ook in zijn eigen muziek toegepast, met name in de strenge twaalftooncomposities zoals het Strijkkwartet opus 28 uit 1937/38.
Hans Erich Apostel componeerde in 1935 een prachtig expressief, grotendeels dodecafonisch Eerste strijkkwartet, waarvan het Largo assai opgevat kan worden als hommage aan zijn leermeester Alban Berg, die in 1935 plotseling overleed.
Karl Amadeus Hartmann voltooide zijn Eerste strijkkwartet, met de titel ‘Carillon’, in 1933 direct na de machtsovername van de nazi’s. In het indrukwekkende langzame deel verwerkte Hartmann een joodse melodie, Elijahu hanavi (de profeet Elia), die in zijn verdere oeuvre steeds weer zou opduiken.
Speellijst:
Anton Webern (1883-1945) – Streichquartett, opus 28 (1937-38)
Uitvoerenden: Emerson String Quartet
Hans Erich Apostel – Strijkkwartet nr.1, opus 7 (1935)
Uitvoerenden: LaSalle Quartet
Karl Amadeus Hartmann (1905-1963) – Strijkkwartet nr. 1 ‘Carillon’ (1933-35)
Uitvoerenden: Pellegrini Quartet
Alexander von Zemlinsky (1871-1942) – Strijkkwartet nr.4 , opus 25 (1936)
Uitvoerenden: Brodsky Quartet
Arnold Schönberg (1874-1951) – Strijkkwartet nr.4, opus 37 (1936)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
Vandaag horen we twee ‘vierde strijkkwartetten’, van Zemlinsky en Schönberg. Het zesdelige Vierde strijkkwartet, opus 25uit 1936 van Alexander von Zemlinsky noemde de componist zelf een ‘Suite’, waarmee hij lijkt te suggereren dat deze muziek aansluit bij de Nieuwe Zakelijkheid en de Neobarokke componeertrant die ook in de jaren dertig zo populair was. Maar de klank en de harmonieën die worden gebruikt blijven overwegend expressionistisch sensueel.
Het Vierde strijkkwartet uit 1936 van Arnold Schönberg staat wat techniek betreft daarmee in scherp contrast. Het is evenals zijn Derde kwartet gebaseerd op de twaalftoontechniek, maar zoals Schönberg zelf aangaf: het is twaalfoonmuziek en niet twaalftoonmuziek. Of om het anders te formuleren, en dat deed Schönberg herhaaldelijk: het gaat er niet om hoe een stuk gemaakt is, maar hoe het klinkt. Want ook hier waart de geest van Brahms nog steeds rond!
Erich Korngold (1897-1957) – Strijkkwartet nr.2, in Es-gr.t., opus 23 (1933)
Uitvoerenden: Doric String Quartet
Karl Weigl (1881-1949) – Strijkkwatet nr. 5, in G-gr.t., opus 31 (1933)
Uitvoerenden: Artis Quartets Wien
Emil von Reznicek (1860-1945) – Strijkkwartet nr.6, in Bes-gr.t. (1932)
Uitvoerenden: Minguet Quartett
Direct aan het begin van de jaren dertig verdampte het avontuur van de roaring twenties door het ineenstorten in 1929 van de beurs en door het opkomende fascisme. Het extraverte optimisme van voorheen voldeed niet meer, tenzij bij politieke demonstraties. In de muziek zochten veel kunstenaars naar een ’eerlijke’ en getrouwe weergave van het echte leven. De hang naar modernismen ebde weg en zou pas na de oorlog weer in de aandacht komen. Dat kunnen we goed horen in de muziek van Erich Korngold, Karl Weigl en Emil von Reznicek, die in de jaren twintig juist ‘romantische’ buitenbeentjes bleken te zijn. De werken van vandaag zijn geschreven rond de machtsovername van de nazi’s in 1933.
Theodor W. Adorno (1903-1969) – Sechs Studien für Streichquartett (1920)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
Theodor W. Adorno (1903-1969) – Strijkkwartet (1921)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
Theodor W. Adorno (1903-1969) – Zwei Stücke opus 2 (1925/26)
Uitvoerenden: Leipziger Streichquartett
George Antheil (1900-1959) – Strijkkwartet nr. 2 (1927/r.1943)
“For Sylvia Beach, with love”
Uitvoerenden: Mondriaan Quartet
Theodor Adorno en George Antheil zijn in de muziekgeschiedenis twee buitenbeentjes. De eerste werd vooral beroemd als filosoof en socioloog en schrijver van de baanbrekende studies Philosophie der neuen Musik (1949) en Einleitung in die Musiksoziologie (1962). Zijn muziek schreef hij als jongeman en getuigt van zijn bewondering voor de vroege Schönberg en Alban Berg.
De muziek van George Antheil past in menig opzicht bij de ‘roaring twenties’ toen hij grote successen boekte in Berlijn en Parijs. Hoewel Antheil zelf meende dat zijn tweede strijkkwartet onder invloed van de late Beethovenkwartetten werd geschreven, horen we vooral een merkwaardige en eigenzinnige hutspot van ideeën en invallen, tussen modern en musical, tussen virtuoos en ingetogen.
Hans Pfitzner (1869-1949) – Strijkkwartet nr.2, in cis-kl.t,, opus 36 (1925)
Uitvoerenden: Franz Schubert Quartett
Alexander von Zemlinsky – Zwei Sätze für Streichquartett (1927)
Uitvoerenden: Escher String Quartet
Ook Hans Pfitzner kon maar geen afstand nemen van de wereld van Brahms, Strauss en Reger. Evenals Franz Schmidt, Emil von Reznicek en in feite ook Alexander von Zemlinsky, had Pfitzner het grootste deel van zijn opleiding immers voor 1890 genoten, dus toen Brahms nog leefde. Het Strijkkwartet in cis-kl.t., opus 36, ontstond in 1925, enkele jaren na de voltooiing van de even befaamde als beruchte (want door de nationaalsocialisten toegejuichte) cantate Vom Deutschen Seele. In 1932 heeft Pfitzner dit kwartet omgewerkt tot een symfonie.
De Zwei Sätze voor strijkkwartet heeft Alexander von Zemlinsky, tussen zijn Derde en zijn Vierde strijkkwartet, in 1927 gecomponeerd. Wellicht zijn deze delen voor een ander kwartet bedoeld en uiteindelijk los in de bureaulade blijven liggen.
Franz Schmidt (1874-1939) – Strijkkwartet G-gr.t. (1929)
Uitvoerenden: Franz Schubert Quartett
Emil von Reznicek (1860-1945) – Strijkkwartet nr.5, in e-kl.t. (1925/28)
Uitvoerenden: Minguet Quartet
Met het Derde strijkkwartet van Schönberg nog in de oren, klinken de kwartetten van Franz Schmidt en Emil von Reznicek uitermate romantisch. Van de zogenaamde ‘roaring twenties’ is hier geen spoor te bekennen. We bevinden ons in de wereld van Brahms en Reger, van de jonge Schönberg, van Zemlinsky, ja in veel opzichten van de Fin-de-Siècle, al ligt die feitelijk dan al bijna dertig jaar achter het werk van Schmidt en Von Reznicek.
From the publisher's feed