Nu Maartje toch al ziek is, en er toch niets meer te vrezen valt, heeft ze maar een duik in het water genomen. Heel kort. Zo koud was het. Daarna is ze in bed gaan liggen, waar ze het steeds heel erg warm heeft. De afzondering dwingt haar na te denken over de verre toekomst. Ze realiseert zich dat geen pretje is om bejaard te zijn. Niet dat ze daar ooit anders over dacht. "Het lijkt me heel erg om bejaard te zijn, of eenzaam. Dat je nooit zeker weet of iemand je vindt. Ben je iemand naar wie wordt gezocht? Of ben je iemand naar wie wordt verlangd?"