Welke rol speelden de koloniën in sociaal-economische ontwikkelingen in GrootBrittannië (1750-1900)?
31 De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving
32 Discussies over de 'sociale kwestie'
33 De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie
35 Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces
36 De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme;
Het bezit van koloniën vergrootte de economische voorsprong die Groot-Brittannië in de 18e en 19e eeuw nam op andere landen. In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond in GrootBrittannië de industriële revolutie. Deze werd mogelijk door uitvindingen zoals de Spinning Jenny en de stoommachine.
Door verbeteringen in de landbouw en door ziektebestrijding groeide de bevolking en nam de vraag naar goederen en het aanbod van goedkope arbeid toe. Ondernemers investeerden winsten uit de koloniën in industrie en transport in Groot-Brittannië, waar eerst vaarwegen en daarna spoorwegen werden aangelegd.
Grondstoffen, met name katoen, kwamen uit de koloniën in het Caribische gebied, uit de Verenigde Staten en uit India. Daarnaast werd vooral India in de loop van de 19e eeuw een steeds belangrijkere afzetmarkt voor de katoenindustrie. De Britse markt werd gevoelig voor gebeurtenissen op mondiaal niveau.
Door de industrialisatie veranderde het handelskapitalisme in industrieel kapitalisme. Ondernemers streefden naar een liberale markteconomie met vrijhandel en een kleine rol voor de overheid, ook binnen het Britse wereldrijk. Om die vrijhandel af te dwingen zetten Britten desnoods de marine in, ook in gebieden die niet direct gekoloniseerd waren.
Ondernemers wilden meer politieke invloed. Die kregen zij met de Reform Bill in 1832. De industrialisatie leidde tot de vorming van nieuwe sociale klassen. Fabrieksarbeiders leefden en werkten onder slechte omstandigheden in snelgroeiende steden en kwamen in protest. De overheid greep aanvankelijk niet in, maar probeerde vanaf 1833 met de Factory Acts excessen te voorkomen. Mede onder invloed van mensen als Robert Owen wisten arbeiders via vakbonden meer rechten af te dwingen.
Fabrikanten investeerden ook in winstgevende projecten in de koloniën. Londen werd het financiële hart van de wereld. De eerste wereldtentoonstelling in 1851 liet zien dat GrootBrittannië de werkplaats van de wereld was.
Na 1870 kreeg de Britse industrie te maken met groeiende concurrentie van de Verenigde Staten en Duitsland. Op zoek naar nieuwe markten breidden de Britten hun wereldrijk aan het einde van de 19e eeuw nog verder uit. Rond 1900 heerste Groot-Brittannië over een kwart van de wereldbevolking.