
Sign up to save your podcasts
Or


In de 17e eeuw zorgden ontdekkingsreizen, ambachtelijke technieken, humanistische tekstanalyse,het rationalisme van Descartes en het empirisme van Locke voor de wetenschappelijke revolutie.Nieuwe inzichten en ontdekkingen, zoals de natuurwetten van Newton, leidden tot discussies overde positie van godsdienst in de samenleving. Een belangrijk gevolg van deze debatten was datgodsdienst en geweten steeds minder als verantwoordelijkheid van staat of vorst werden gezien,maar als zaken van het individu.Verlichte denkers vonden dat wetenschappelijke methoden ook moesten worden toegepast op desamenleving. Traditie, religieuze praktijken en bestaande gezagsverhoudingen moesten wordengetoetst aan criteria van redelijkheid. Samen met ideeën over opvoeding, onderwijs en deverspreiding van kennis leidde deze maatschappijkritiek tot optimisme en geloof inmaatschappelijke vooruitgang, al werden er ook toen al vraagtekens gezet bij de reikwijdte vanhet menselijke verstand.Verlichte denkers als Locke en later Rousseau gingen uit van natuurrechten en het idee van eensociaal contract, waarbij alle macht uiteindelijk uitging van het volk zelf. Rousseau koppeldedaaraan ideeën over vrijheid en gelijkheid van ook armen en slaven, en over vormen van directedemocratie op basis van de algemene wil. Van grote invloed waren daarnaast de ideeën vanMontesquieu over de scheiding der machten. De economische ideeën van Adam Smith zorgdenvoor een herwaardering van de verhoudingen tussen overheid en economie, en de rol die rationeeleigenbelang hierin speelde.Een ander gevolg van de verlichting was de verandering in politieke cultuur. Nieuwe ideeën vondenbrede verspreiding en werden privé en in het publieke domein uitvoerig besproken. Voor het eerstmoesten vorsten rekening houden met de publieke opinie in alle lagen van de bevolking. Publicatievan verlichtingsideeën werd angstvallig in de gaten gehouden en soms verboden. Centralisatiedoor vorsten, gelegitimeerd door het droit divin, zorgde voor spanningen. In sommige landenomarmden vorsten elementen van het verlichtingsdenken, zonder dat zij het absolutisme loslieten.
In de Republiek ontwikkelde zich een oorlogseconomie. Handel was nodig om de strijd tegen deHabsburgers te financieren. Regenten zagen die strijd tegelijk als een middel om de Spaansehandelspositie te verzwakken. Naast economische samenwerking en innovatie beschouwden zij hethandhaven van het particularisme van steden en gewesten en de gewetensvrijheid van burgers alsbelangrijke voorwaarden voor welvaart. De stadhouders, die meer eenheid en aanziennastreefden, moesten die vrijheden respecteren.In het Heilige Roomse Rijk belemmerde de Dertigjarige Oorlog de economische groei van dezegebieden. In Engeland en Frankrijk deden dat de spanningen tussen vorsten en adel. Een tijdlangkon de Republiek hierdoor de Europese tussenhandel en de wereldhandel beheersen en trok zijzeer veel arbeidsmigranten aan. De steden in vooral de zeegewesten groeiden explosief. InHolland en Utrecht ontstond een ring van steden die al in de 17e eeuw verbonden waren met eennetwerk van openbaar vervoer. De snelheid en omvang van de groei was het meest zichtbaar inAmsterdam, dat door haar stapelmarktfunctie en haar eigen versie van de koopmansbeurs eenreeks aan grote uitbreidingen nodig had: de grachtengordel. Rijke kooplieden investeerden insteeds betere molens, droogmakerijen en de teelt van nieuwe gewassen, maar verkregen ookadellijke titels en lieten stadspaleizen en buitens bouwen om hun status te verhogen. Onder henvonden kunstenaars als Rembrandt een enorme markt. Ook kooplieden van buitenlandse afkomstkonden binnen de Republiek relatief snel opklimmen.In de periode na 1648 stabiliseerde de situatie in de omliggende landen zich. Engeland en hetabsolutistische Frankrijk voerden een mercantilistisch beleid waar de handel van de confederaleRepubliek onder leed. Veel regenten trokken zich terug uit de handel van de Republiek, leendenhun geld uit aan buitenlandse ondernemers en machthebbers en probeerden hun politieke eneconomische macht veilig te stellen. Dit riep onvrede op bij het gemeen, dat minder hadgeprofiteerd van de relatieve welvaart van de Gouden Eeuw. Dat stelde zich steeds Oranjegezinderop, terwijl regenten als Johan de Witt juist staatsgezind en tegen de Oranjes waren.Het Rampjaar 1672 luidde het einde in van de Gouden Eeuw. Investeringen in het buitenland enoligarchisering namen daarna toe. Door toenemende concurrentie in de wereldhandel raakte deRepubliek haar leidende positie kwijt aan Engeland en nam Londen de rol van Amsterdam alscentrum van handel en bankwezen over.
Rond 1300 vormden Vlaanderen en Brabant het economische zwaartepunt van de Nederlandsegewesten. Brugge vormde het handelscentrum van een netwerk waarbinnen elke stad doorinnovatie en schaalvergroting de eigen positie én het netwerk als geheel versterkte. Stedenhadden in dat netwerk een eigen positie. Antwerpen had een goede verbinding met het Europeseachterland en was toegankelijk voor de nieuwe, grotere zeeschepen. In Brugge combineerdenhandelaren de principes van de wisselbrief en de bank tot de eerste koopmansbeurs. Hetnoordelijke Amsterdam werd in de loop van de 14e eeuw een gespecialiseerde haven voor degraanhandel met het Oostzeegebied.Behalve van de adel, nam de stedelijke burgerij ook taken van de geestelijkheid over, zoals socialezorg en onderwijs, en ontwikkelde zij ideeën over het algemeen belang of bonum commune van destedelingen. Met de vestiging van bedelorden en begijnhoven probeerde de geestelijkheidomgekeerd aansluiting te vinden bij een meer individuele geloofsbeleving van stedelingen, demoderne devotie.In de late middeleeuwen kwam de positie van de steden onder druk te staan. Het particularismevan de Brabantse en Vlaamse steden botste met het beleid van de Bourgondische hertogen die inde 15e eeuw grip probeerden te krijgen op bestuur en rechtspraak in hun Nederlandse gebieden.Mede doordat zij een centrale rol in de handel met Spaanse en Portugese koloniën in kon nemen,profiteerde Antwerpen hier het meeste van en nam zij de centrale positie van Brugge over.In de 16e eeuw zetten de Habsburgse vorsten Karel V en Filips II de centralisatiepolitiek door enbreidden deze vanwege de opkomst van lutheranisme en calvinisme uit naar de godsdienst. Zijwilden het protestantisme, dat zich concentreerde in de steden, terugdringen. Na de Beeldenstormen het harde optreden door Alva brak er onder leiding van Willem van Oranje een opstand uittegen het Spaanse gezag. Door de opstand, die in de praktijk een oorlog tegen steden was, verloorAntwerpen vanaf 1585 haar stapelmarktfunctie en trokken veel kapitaalkrachtige inwoners naarHolland. De noordelijke gewesten stichtten een republiek. Vanaf de oprichting van de VOC in 1602ontwikkelde die zich tot een handelsgrootmacht met een wereldwijd handelsnetwerk.
Vanaf de 11e eeuw deed zich in Europa een aantal veranderingen voor. De landbouw veranderde,de bevolking groeide, de handel bloeide op en er ontstond weer een monetaire economie vangrotere omvang. In het noorden ontwikkelde vooral Vlaanderen zich tot een van de meestverstedelijkte gebieden van Europa.Om hun economische belangen te beschermen kregen, bevochten en kochten stedelingenzelfbestuur in de vorm van stadsrechten. Vanwege hun marktfunctie vertakte het netwerk tussendie steden en het verzorgingsgebied zich steeds fijner. Om zichzelf in stand te houden had de stadeen constante toestroom nodig van kapitaalkrachtige of kundige aspirant-poorters.Startpunt van stedelijke dynamiek in de Nederlandse gewesten was Atrecht. Door de hogelandbouwproductiviteit en de schapenhouderij in de regio veroverde die stad een centrale plaats inde lakennijverheid. Handelaren in deze bisschopsstad vonden aansluiting op een handelsnetwerkdat zich via jaarmarkten in Frankrijk uitstrekte tot de Italiaanse stadstaten. Rijke koopliedenversterkten hun positie door zich te organiseren in koopliedengilden. Ook door leningen teverstrekken aan edellieden kregen ze het stadsbestuur in handen.Tegen 1300 werd Atrecht als centrum van nijverheid overvleugeld door Vlaamse steden alsBrugge, die via de Noordzee aansluiting vonden op de handel met steden van de Hanze, maar ookmet gebieden in Spanje en Italië. Patriciërs in Vlaamse steden knoopten banden aan met de adelen maten zich steeds meer een adellijke levensstijl aan. Tussen hen en het gemeen, aangevoerddoor ambachtslieden, ontstonden steeds meer spanningen over bestuur en overwerkomstandigheden. Met de Guldensporenslag lieten Vlaamse ambachtslieden en boeren in 1302zien dat ze waren opgewassen tegen patriciërs en feodale heren.
HC VWO Verlichting 7 Democratische revolutie in de Caraïben Toussaint Louverture
From the publisher's feed