Bijbeltekst: [1]
Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem.[2]
En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.[3]
En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth–el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth–el, en tussen Ai;[4]
Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen.[5]
¶ En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.[6]
En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.[7]
En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaanieten en Ferezieten in dat land.[8]
En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.[9]
Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.