De rosse woelmuis en de huisspitsmuis zijn in opmars in de Hoeksche Waard. Dat blijkt uit 25 jaar onderzoek naar braakballen op het Zuid-Hollandse eiland. Vrijwilligers verzamelden en pluisden 53 duizend braakballen van onder meer ransuilen, kerkuilen en bosuilen. Braakballen lenen zich goed voor onderzoek naar kleine zoogdieren, omdat ze vol zitten met schedeltjes en botjes van muizen en andere prooien van uilen. Bericht gaat door onder de tweet [Tweet:https://twitter.com/chrisnatuurlijk/status/982552623369908224] Het onderzoek laat zien dat vooral de rosse woelmuis en de huisspitsmuis het goed doen op het eiland. "Voor 2000 kwamen deze soorten nauwelijks voor in de Hoeksche Waard, maar inmiddels hebben beide muizensoorten het eiland veroverd", zegt Merijn van den Hoogenhoff van het Hoekschewaards Landschap. Vreemde prooi Dat uilen niet alleen muizen eten maar ook andere prooien, blijkt uit een paar opmerkelijke vondsten. In al die jaren vonden de vrijwilligers af en toe ook resten van mollen, vleermuizen en zelfs van een egel. "Ook wezels worden soms gevonden en dat zijn flinke prooien voor een kerkuil", zegt Van den Hoogenhoff. "Een keer zijn we een woestijnratje tegengekomen. Waarschijnlijk ontsnapt uit een kooitje. Die heeft het niet lang gered in de wilde natuur", lacht hij. Minder ransuilen, meer kerkuilen Het onderzoek zegt ook iets over het aantal uilen in de Hoeksche Waard. Zo blijkt dat de ransuil het minder goed doet dan 25 jaar geleden. Het aantal kerkuilen is in die periode juist flink gestegen. Verder laat het onderzoek zien dat de kerkuil niet meer zo afhankelijk lijkt te zijn van de veldmuis, het hoofdvoedsel van de kerkuil om jongen groot te brengen. Van den Hoogenhoff: "Als er minder veldmuizen voorradig zijn, gaat de kerkuil gewoon over op een andere soort als de spitsmuis."