Bijbeltekst: [9]
En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.[10]
En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananías; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananías! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere![11]
En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.[12]
En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananías, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.[13]
En Ananías antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;[14]
En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.[15]
Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israëls.[16]
Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.[17]
En Ananías ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.[18]
En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.