PrekenWeb.nl

PrekenWeb.nl

By Stichting PrekenWebReligion & SpiritualityChristianity
Download on the App Store
  • Favorites

    33

    Followers

  • Typical duration

    64 min

    per episode

Based on Podcast App listening data

PrekenWeb.nl episodes

  • Ds. J.S. van der Net - Esther 4 : 9 - 17
    Bijbeltekst: [9]
      Hatach nu kwam, en gaf Esther de woorden van Mordechai te kennen.[10]
      Toen zeide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mordechai:[11]
      Alle knechten des konings, en het volk, der landschappen des konings,  weten wel dat al wie tot den koning ingaat in het binnenste voorhof,  die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat  men hem dode, tenzij dat de koning den gouden scepter hem toereike,  opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om  tot den koning in te komen.[12]
      En zij gaven de woorden van Esther aan Mordechai te kennen.[13]
      Zo zeide Mordechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in,  in uw ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al  de andere Joden.[14]
      Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden  verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar gij en  uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of gij niet om zulken tijd  als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt.[15]
      Toen zeide Esther, dat men Mordechai weder aanzeggen zou:[16]
      Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij,  en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge  dochters zullen ook alzo vasten, en alzo zal ik tot den koning ingaan,  hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.[17]
      Toen ging Mordechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem  geboden had.
    1 hr 32 min
  • Ds. J.S. van der Net - Esther 4 : 1 - 9
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Als Mordechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mordechai zijn  klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden  der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.[2]
      En hij kwam tot voor de poort des konings; want niemand mocht in des  konings poort inkomen, bekleed met een zak.[3]
      En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings  en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en  geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.[4]
      Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het  haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen  om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam  ze niet aan.[5]
    ¶  Toen riep Esther Hatach, een van de kamerlingen des konings, welke hij  voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mordechai, om te weten  wat dit, en waarom dit ware.[6]
      Als Hatach uitging tot Mordechai, op de straat der stad, die voor de  poort des konings was,[7]
      Zo gaf Mordechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring  van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten  des konings, voor de Joden, om dezelve om te brengen.[8]
      En hij gaf hem het afschrift der geschrevene wet, die te Susan gegeven  was, om hen te verdelgen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen  gaf, en haar gebood, dat zij tot den koning ging, om hem te smeken, en  van hem te verzoeken voor haar volk.[9]
      Hatach nu kwam, en gaf Esther de woorden van Mordechai te kennen.
    1 hr 34 min
  • Ds. J.S. van der Net - Esther 3
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasveros Haman groot, den zoon  van Hammedatha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn  stoel boven al de vorsten, die bij hem waren.[2]
      En al de knechten des konings, die in de poort des konings waren, neigden  en bogen zich neder voor Haman; want de koning had alzo van hem bevolen;  maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.[3]
      Toen zeiden de knechten des konings, die in de poort des konings waren,  tot Mordechai: Waarom overtreedt gij des konings gebod?[4]
      Het geschiedde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij  naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen,  of de woorden van Mordechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen  gegeven, dat hij een Jood was.[5]
      Toen Haman zag, dat Mordechai zich niet neigde, noch zich voor hem  nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.[6]
      Doch hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mordechai alleen de hand  zou slaan (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen); maar  Haman zocht al de Joden, die in het ganse koninkrijk van Ahasveros waren,  namelijk het volk van Mordechai, te verdelgen.[7]
    ¶  In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van den  koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans  aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde  maand toe; deze is de maand Adar.[8]
      Want Haman had tot den koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid  en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en  hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen  zij des konings wetten niet; daarom is het den koning niet oorbaar hen  te laten blijven.[9]
      Indien het den koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen  verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilvers opwegen in de handen  dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen.[10]
      Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman,  den zoon van Hammedatha, den Agagiet, der Joden tegenpartijder.[11]
      En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk,  om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.[12]
      Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op  den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman  beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over  elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar  zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den  naam van den koning Ahasveros, en het werd met des konings ring verzegeld.[13]
      De brieven nu werden gezonden door de hand der lopers tot al de landschappen  des konings, dat men zou verdelgen, doden en verdoen al de Joden, van  den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op een  dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en  dat men hun buit zou roven.[14]
      De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle  landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelfden dag  zouden gereed zijn.[15]
      De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord des konings,  en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten  en dronken, doch de stad Susan was verward.
    1 hr 28 min
  • Ds. J.S. van der Net - Esther 2 : 12 - 23
    Bijbeltekst: [12]
      Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot den koning Ahasveros  te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied  was; want alzo werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden  met mirreolie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen  der vrouwen;[13]
      Daarmede kwam dan de jonge dochter tot den koning; al wat zij zeide, werd  haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen tot het  huis des konings.[14]
      Des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede  huis der vrouwen, onder de hand van Saasgaz, den kamerling des konings,  bewaarder der bijwijven, zij kwam niet weder tot den koning, ten ware  de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd.[15]
      Als de beurt van Esther, de dochter van Abichail, den oom van Mordechai,  (die hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning  komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling,  de bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther verkreeg genade in de ogen  van allen, die haar zagen.[16]
      Alzo werd Esther genomen tot den koning Ahasveros, tot zijn koninklijk  huis, in de tiende maand, welke is de maand Tebeth, in het zevende jaar  zijns rijks.[17]
      En de koning beminde Esther boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade  en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de  koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats  van Vasthi.[18]
      Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten,  den maaltijd van Esther; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf  geschenken naar des konings vermogen.[19]
      Toen ten anderen male maagden vergaderd werden, zo zat Mordechai in de  poort des konings.[20]
      Esther nu had haar maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk  als Mordechai haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mordechai,  gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd.[21]
    ¶  In die dagen, als Mordechai in de poort des konings zat, werden Bigthan  en Theres, twee kamerlingen des konings van de dorpelwachters, zeer  toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasveros.[22]
      En deze zaak werd Mordechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin  Esther te kennen; en Esther zeide het den koning in Mordechai’s naam.[23]
      Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan  een galg gehangen; en het werd in de kronieken geschreven voor het  aangezicht des konings.
    1 hr 33 min
  • Ds. J.S. van der Net - Esther 1
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Het geschiedde nu in de dagen van Ahasveros, (hij is die Ahasveros,  dewelke regeerde van Indie af tot aan Morenland toe, honderd zeven en  twintig landschappen).[2]
      In die dagen, als de koning Ahasveros op den troon zijns koninkrijks zat,  die op den burg Susan was;[3]
      In het derde jaar zijner regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten  en zijn knechten; de macht van Perzie en Medie, de grootste heren en de  oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht;[4]
      Als hij vertoonde den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de  kostelijkheid des sieraads zijner grootheid, vele dagen lang, honderd  en tachtig dagen.[5]
      Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd al den  volke, dat gevonden werd op den burg Susan, van den grootste tot den  kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van den hof van het koninklijk  paleis.[6]
      Er waren witte, groene en hemelsblauwe behangselen, gevat aan fijn  linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren;  de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfier steen,  en van marmer, en albast, en kostelijke stenen.[7]
      En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ene vat was anders dan  het andere vat; en er was veel koninklijke wijn, naar des konings  vermogen.[8]
      En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; want alzo had  de koning vastelijk bevolen aan alle groten zijns huizes, dat zij doen  zouden naar den wil van een iegelijk.[9]
      De koningin Vasthi maakte ook een maaltijd voor de vrouwen in het koninklijk  huis, hetwelk de koning Ahasveros had.[10]
    ¶  Op den zevenden dag, toen des konings hart vrolijk was van den wijn,  zeide hij tot Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zethar en  Charchas, de zeven kamerlingen, dienende voor het aangezicht van den  koning Ahasveros,[11]
      Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht des  konings, met de koninklijke kroon, om den volken en den vorsten haar  schoonheid te tonen; want zij was schoon van aangezicht.[12]
      Doch de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord des konings,  hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aangezegd was. Toen  werd de koning zeer verbolgen, en zijn grimmigheid ontstak in hem.[13]
      Toen zeide de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want alzo  moest des konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van al degenen,  die de wet en het recht wisten;[14]
      De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres,  Marsena, Memuchan, zeven vorsten der Perzen en der Meden, die het  aangezicht des konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),[15]
      Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan  had het woord van den koning Ahasveros, door den dienst der kamerlingen?[16]
      Toen zeide Memuchan voor het aangezicht des konings en der vorsten: De  koningin Vasthi heeft niet alleen tegen den koning misdaan, maar ook  tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de landschappen  van den koning Ahasveros zijn.[17]
      Want deze daad der koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar  mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning  Ahasveros zeide, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen  zou; maar zij kwam niet.[18]
      Te dezen zelfden dage zullen de vorstinnen van Perzie en Medie ook alzo  zeggen tot al de vorsten des konings, als zij deze daad der koningin  zullen horen, en er zal verachtens en toorns genoeg wezen.[19]
      Indien het den koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga,  hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men  het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van den  koning Ahasveros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste,  die beter is dan zij.[20]
      Als het bevel des konings, hetwelk hij doen zal in zijn ganse koninkrijk,  (want het i
    1 hr 20 min
  • Ds. J.S. van der Net - Efeze 1 : 13 - 14
    Bijbeltekst: [13]
      In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk  het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij  geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;[14]
      Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot  prijs Zijner heerlijkheid.
    1 hr 18 min
  • Ds. J.S. van der Net - 2 Timotheüs 1 : 3a + 5
    Bijbeltekst: [3]
    a  Ik dank God, Wien ik diene van mijn voorouderen aan in een rein geweten,  [5]
      Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is,  hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder  Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.
    40 min

About PrekenWeb.nl

From the publisher's feed

Preken uit de Gereformeerde Gemeenten

Best of PrekenWeb.nl

Ranked by our users in the last 21 days

More shows like PrekenWeb.nl

Boekestijn en De Wijk by BNR Nieuwsradio

Boekestijn en De Wijk

166 Listeners

De Jortcast by NPO Luister / AVROTROS

De Jortcast

79 Listeners

Eerst dit by NPO Luister / EO

Eerst dit

38 Listeners

De Ongelooflijke Podcast by NPO Luister / EO

De Ongelooflijke Podcast

108 Listeners

Amerika in 15 minuten by Raymond Mens

Amerika in 15 minuten

73 Listeners

Een preek voor elke dag by Geloofstoerusting

Een preek voor elke dag

28 Listeners

Preken ds. J. IJsselstein (GG Woerden, Kapelle, Kampen) by Leespreken

Preken ds. J. IJsselstein (GG Woerden, Kapelle, Kampen)

0 Listeners

Dick en Daniël Geloven het Wel by Nederlands Dagblad

Dick en Daniël Geloven het Wel

22 Listeners

De Spindoctors by NPO Luister / EO

De Spindoctors

22 Listeners

Vorming voor elke dag by Ds. A.S. Middelkoop

Vorming voor elke dag

1 Listeners

Veldheren by Peter van Uhm, Mart de Kruif, Jos de Groot / Corti Media

Veldheren

33 Listeners

Over Leven by NPO Luister / HUMAN

Over Leven

4 Listeners

Timotheüs thema by danielonline.nu/timotheus

Timotheüs thema

0 Listeners

Sprekend RD by Reformatorisch dagblad

Sprekend RD

2 Listeners

Argos Series by NPO Luister / Argos / VPRO / HUMAN

Argos Series

10 Listeners