PrekenWeb.nl

PrekenWeb.nl

By Stichting PrekenWebReligion & SpiritualityChristianity
Download on the App Store
  • Favorites

    33

    Followers

  • Typical duration

    64 min

    per episode

Based on Podcast App listening data

PrekenWeb.nl episodes

  • Ds. W. Visscher - Romeinen 2 : 28 - 29
    Bijbeltekst: [28]
      Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de  besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;[29]
      Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des  harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis;  wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.
    1 hr 7 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 1 : 1 - 4
    Bijbeltekst: [1]
    De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in  de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis  was;[2]
      Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda,  en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven  waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.[3]
      En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar  in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in  versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn  met vuur verbrand.[4]
      En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende,  en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het  aangezicht van den God des hemels.
    47 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 1 : 5 - 11
    Bijbeltekst: [5]
    En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God!  Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben,  en Zijn geboden houden.[6]
      Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het  gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht,  voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de  zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik  en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.[7]
      Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden  de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht  Mozes geboden hebt.[8]
      Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende:  Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.[9]
      En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al  waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar  verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om  Mijn Naam aldaar te doen wonen.[10]
      Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote  kracht en door Uw sterke hand.[11]
      Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts,  en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en  doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid  voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.
    52 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 2 : 1 - 15
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den  koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik  den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest  voor zijn aangezicht.[2]
      Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch  niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde  ik gans zeer.[3]
      En ik zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn  aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen  mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn?[4]
      En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van  den hemel.[5]
      En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht  voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de  stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.[6]
      Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang  zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den  koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had.[7]
      Voorts zeide ik tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, dat men mij  brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij  overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;[8]
      Ook een brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, denwelken de koning  heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis,  dat aan het huis is, en tot den stadsmuur, en tot het huis, waar ik  intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods  over mij.[9]
    ¶  Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de  brieven des konings. En de koning had oversten des heirs en ruiteren  met mij gezonden.[10]
      Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat  hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen  was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israels.[11]
      En ik kwam te Jeruzalem, en was daar drie dagen.[12]
      Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinig mannen met mij, en ik  gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan  Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik  reed.[13]
      En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein,  en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke  verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.[14]
      En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des konings vijver; doch  daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan.[15]
      Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur; en  ik keerde weder, en kwam in door de Dalpoort; alzo keerde ik wederom.
    55 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 3
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de  priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten  haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den  toren Hananeel.[2]
      En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand  Zacchur, de zoon van Imri.[3]
      De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaa; zij zolderden die, en  richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.[4]
      En aan hun hand verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, den zoon van Koz;  en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, den zoon van  Mesezabeel; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Baena.[5]
      Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoieten; maar hun voortreffelijken  brachten hun hals niet tot den dienst huns Heeren.[6]
      En de Oude poort verbeterden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de  zoon van Besodja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met  haar sloten en haar grendelen.[7]
      En aan hun hand verbeterden Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronothiet,  de mannen van Gibeon en van Mizpa; tot aan den stoel des landvoogds aan  deze zijde der rivier.[8]
      Aan zijn hand verbeterde Uzziel, de zoon van Harhoja, een der goudsmeden,  en aan zijn hand verbeterde Hananja, de zoon van een der apothekers; en  zij lieten Jeruzalem tot aan den breden muur.[9]
      En aan hun hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste des halven  deels van Jeruzalem.[10]
      Voorts aan hun hand verbeterde Jedaja, de zoon van Harumaf, en tegenover  zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasabneja.[11]
      De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon  van Pahath–moab; daartoe den Bakoventoren.[12]
      En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het  andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochteren.[13]
      De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanoah; zij bouwden  die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen;  daartoe duizend ellen aan den muur, tot aan de Mistpoort.[14]
      De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het  deel Beth–cherem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar  sloten en haar grendelen.[15]
      En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol–hoze, overste van  het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar  deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe den muur des  vijvers Schelah bij des konings hof, en tot aan de trappen, die afgaan  van Davids stad.[16]
      Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel  van Beth–zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten  vijver, en tot aan het huis der helden.[17]
      Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijn hand  verbeterde Hasabja, de overste van het halve deel van Kehila, in zijn  deel.[18]
      Na hem verbeterden hun broederen, Bavai, de zoon van Henadad, de overste  van het andere halve deel van Kehila.[19]
      Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa,  een andere maat; tegenover den opgang naar het wapenhuis, aan den hoek.[20]
      Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, een andere  maat; van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, den  hogepriester.[21]
      Na hem verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, den zoon van Koz, een andere  maat; van de huisdeur van Eljasib af, tot aan het einde van Eljasibs  huis.[22]
      En na hem verbeterden de priesteren, wonende in de vlakke velden.[23]
      Daarna verbeterden Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem  verbeterde Azaria, de zoon van Maaseja, den zoon van Hananja, bij zijn  huis.[24]
      Na hem verbeterde Binnui, de zoon van Henadad, een andere maat; van het  huis van Azaria tot aan den hoek en tot aan het punt;[25]
      Palal, de zoon van Uzai, tegen den hoek, en de
    54 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 4 : 1 - 6
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij den muur bouwden,  zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden.[2]
      En sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van  Samaria, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten  geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voleinden? Zullen  zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?[3]
      En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen,  zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren.[4]
      Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid  weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der  gevangenis.[5]
      En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd  van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover  de bouwlieden.[6]
      Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn  helft toe; want het hart des volks was om te werken.
    54 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 4 : 7 - 23
    Bijbeltekst: [7]
    ¶  En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de  Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren  van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo  ontstaken zij zeer;[8]
      En zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om  tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken.[9]
      Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht,  hunnenthalve.[10]
      Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is  veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen.[11]
      Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien,  totdat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; alzo zullen  wij het werk doen ophouden.[12]
      En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij  het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij  tot ons wederkeert.[13]
      Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter den muur, en op de  hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun  spiesen en hun bogen.[14]
      En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de  overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht;  denkt aan dien groten en vreselijken HEERE, en strijdt voor uw broederen,  uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.[15]
      Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was  geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen  weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk.[16]
    ¶  En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende  waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de  schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het  ganse huis van Juda.[17]
      Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden,  waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere  hield het geweer.[18]
      En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en  bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.[19]
      En ik zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des  volks: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op den muur afgezonderd,  de een ver van den ander;[20]
      Ter plaatse, waar gij het geluid der bazuin zult horen, daarheen zult  gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.[21]
      Alzo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen,  van het opgaan des dageraads tot het voortkomen der sterren toe.[22]
      Ook zeide ik te dier tijd tot het volk: Een iegelijk vernachte met zijn  jongen binnen Jeruzalem, opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en  des daags aan het werk.[23]
      Voorts noch ik, noch mijn broederen, noch mijn jongelingen, noch de mannen  van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze klederen niet uit;  een iegelijk had zijn geweer en water.
    56 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 5 : 1 - 11
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hun broederen,  de Joden.[2]
      Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen;  daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven.[3]
      Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden,  en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen.[4]
      Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings  cijns, op onze akkers en onze wijngaarden.[5]
      Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn  als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren  tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen,  dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers  en onze wijngaarden.[6]
    ¶  Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer.[7]
      En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en  met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een  iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen  hen.[8]
      En ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederen, de Joden, die aan de  heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zoudt  gijlieden ook uw broederen verkopen, of zouden zij aan ons verkocht  worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord.[9]
      Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet  wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze  vijanden?[10]
      Ik, mijn broederen, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van  hen? Laat ons toch dezen last nalaten.[11]
      Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden  en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren,  den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.
    52 min

About PrekenWeb.nl

From the publisher's feed

Preken uit de Gereformeerde Gemeenten

Best of PrekenWeb.nl

Ranked by our users in the last 21 days

More shows like PrekenWeb.nl

Boekestijn en De Wijk by BNR Nieuwsradio

Boekestijn en De Wijk

166 Listeners

De Jortcast by NPO Luister / AVROTROS

De Jortcast

79 Listeners

Eerst dit by NPO Luister / EO

Eerst dit

38 Listeners

De Ongelooflijke Podcast by NPO Luister / EO

De Ongelooflijke Podcast

108 Listeners

Amerika in 15 minuten by Raymond Mens

Amerika in 15 minuten

73 Listeners

Een preek voor elke dag by Geloofstoerusting

Een preek voor elke dag

28 Listeners

Preken ds. J. IJsselstein (GG Woerden, Kapelle, Kampen) by Leespreken

Preken ds. J. IJsselstein (GG Woerden, Kapelle, Kampen)

0 Listeners

Dick en Daniël Geloven het Wel by Nederlands Dagblad

Dick en Daniël Geloven het Wel

22 Listeners

De Spindoctors by NPO Luister / EO

De Spindoctors

22 Listeners

Vorming voor elke dag by Ds. A.S. Middelkoop

Vorming voor elke dag

1 Listeners

Veldheren by Peter van Uhm, Mart de Kruif, Jos de Groot / Corti Media

Veldheren

33 Listeners

Over Leven by NPO Luister / HUMAN

Over Leven

4 Listeners

Timotheüs thema by danielonline.nu/timotheus

Timotheüs thema

0 Listeners

Sprekend RD by Reformatorisch dagblad

Sprekend RD

2 Listeners

Argos Series by NPO Luister / Argos / VPRO / HUMAN

Argos Series

10 Listeners