PrekenWeb.nl

PrekenWeb.nl

By Stichting PrekenWebReligion & SpiritualityChristianity
Download on the App Store
  • Favorites

    33

    Followers

  • Typical duration

    64 min

    per episode

Based on Podcast App listening data

PrekenWeb.nl episodes

  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 5 : 12 - 19
    Bijbeltekst: [12]
      Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij  zullen alzo doen, als gij zegt. En ik riep de priesteren, en deed hen  zweren, dat zij doen zouden naar dit woord.[13]
      Ook schudde ik mijn boezem uit, en zeide: Alzo schudde God uit allen man,  die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en  hij zij alzo uitgeschud en ledig. En de ganse gemeente zeide: Amen! En  zij prezen de HEERE. En het volk deed naar dit woord.[14]
    ¶  Ook van dien dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in  het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste  jaar van den koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn  broederen, het brood des landvoogds niet gegeten.[15]
      En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk  bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren  sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb alzo niet  gedaan, om der vreze Gods wil.[16]
      Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen  land gekocht; en al mijn jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het  werk.[17]
      Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die  van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel  geweest.[18]
      En wat voor een dag bereid werd, was een os en zes uitgelezen schapen;  ook werden mij vogelen bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer  veel; nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat  de dienstbaarheid zwaar was over dit volk.[19]
      Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan  heb.
    54 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 6 : 1 - 9
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, den  Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd  had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot dezen  tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;[2]
      Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te  zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij  kwaad te doen.[3]
      En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik  niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het  zou nalaten, en tot ulieden afkomen?[4]
      Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde  hun op dezelfde wijze.[5]
      Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, ten vijfden male, zijn  jongen, met een open brief in zijn hand.[6]
      Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt:  Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij  zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn.[7]
      Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen,  zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord  worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons te zamen  raadslaan.[8]
      Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als gij  zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart.[9]
      Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen  zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan,  sterk mijn handen!
    54 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 6 : 10 - 19
    Bijbeltekst: [10]
    ¶  Als ik nu kwam in het huis van Semaja, den zoon van Delaja, den zoon van  Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in  het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des  tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht  zullen zij komen, om u te doden.[11]
      Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als  ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet  ingaan.[12]
      Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze  profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden.[13]
      Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen;  opdat zij iets zouden hebben tot een kwaden naam, opdat zij mij zouden  honen.[14]
      Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en  ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht  hebben vreesachtig te maken.[15]
    ¶  De muur nu werd volbracht, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee  en vijftig dagen.[16]
      En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de  heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want  zij merkten, dat dit werk van onzen God gedaan was.[17]
      Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia  gingen; en die van Tobia kwamen tot hen.[18]
      Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van  Sechanja, den zoon van Arah; en zijn zoon Johanan had genomen de dochter  van Mesullam, den zoon van Berechja.[19]
      Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn  woorden brachten zij uit tot hem. Tobia dan zond brieven, om mij  vreesachtig te maken.
    55 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 7
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte,  en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.[2]
      En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanani, en aan Hananja, den overste van  den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en  godvrezende boven velen.[3]
      En ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden,  totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de  deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners  van Jeruzalem, een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover  zijn huis.[4]
      De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig  daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.[5]
    ¶  Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het  volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister  dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven  aldus:[6]
      Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis  der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had,  en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk  tot zijn stad;[7]
      Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani,  Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baena. Dit is het  getal der mannen van het volk van Israel.[8]
      De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;[9]
      De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;[10]
      De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;[11]
      De kinderen van Pahath–moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee  duizend, achthonderd en achttien;[12]
      De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;[13]
      De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;[14]
      De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;[15]
      De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;[16]
      De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;[17]
      De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;[18]
      De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;[19]
      De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;[20]
      De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;[21]
      De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;[22]
      De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;[23]
      De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;[24]
      De kinderen van Harif, honderd en twaalf;[25]
      De kinderen van Gibeon, vijf en negentig;[26]
      De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;[27]
      De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;[28]
      De mannen van Beth–azmaveth, twee en veertig;[29]
      De mannen van Kirjath–jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en  veertig;[30]
      De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;[31]
      De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;[32]
      De mannen van Beth–el en Ai, honderd drie en twintig;[33]
      De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;[34]
      De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;[35]
      De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;[36]
      De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;[37]
      De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;[38]
      De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;[39]
      De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd  drie en zeventig;[40]
      De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;[41]
      De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;[42]
      De kinderen van Harim, duizend en zeventien;[43]
      De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van  Hodeva, vier en zeventig;[44]
      De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;[45]
      De poortiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen  van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hati
    51 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 8 : 1 - 9
    Bijbeltekst: [1]
    Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels  in hun steden waren,[2]
    Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor  de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het  boek der wet van Mozes zou halen, die de HEERE Israel geboden had.[3]
    En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen  en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten  dag der zevende maand.[4]
    En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van  het morgen licht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en  de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.[5]
    En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien  zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattithja, en Sema,  en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maaseja, aan zijn rechterhand; en aan  zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana,  Zacharja en Mesullam.[6]
    En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij  was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.[7]
    En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde:  Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden  den HEERE, met de aangezichten ter aarde.[8]
    Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia,  Maaseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen  het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.[9]
    En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin  verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.
    58 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 8 : 10 - 19
    Bijbeltekst: [10]
    En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de  schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al  het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen  rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der  wet hoorden.[11]
    Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete,  en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is  onzen HEERE heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN,  die is uw sterkte.[12]
    En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze  dag is heilig, daarom bedroeft u niet.[13]
    Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om  delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de  woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.[14]
    En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van  het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde,  en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.[15]
    En zij vonden in de wet geschreven, dat de HEERE door de hand van  Mozes geboden had, dat de kinderen Israels in loofhutten zouden wonen,  op het feest in de zevende maand;[16]
    En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan  door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte,  en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen,  en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere  dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.[17]
    Alzo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten,  een iegelijk op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van  Gods huis, en op de straat der Waterpoort, en op de straat van Efraimspoort.[18]
    En de ganse gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren  wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de  kinderen Israels hadden alzo niet gedaan sinds de dagen van Jesua, den  zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer grote blijdschap.[19]
    En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag  tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den  achtsten dag den verbodsdag, naar het recht.
    52 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 11
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des  volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige  stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.[2]
      En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem  te wonen.[3]
      En dit zijn de hoofden van het landschap, die te Jeruzalem woonden; (maar  in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijn bezitting, in hun  steden, Israel, de priesters, en de Levieten, en de Nethinim, en de  kinderen der knechten van Salomo).[4]
      Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de  kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van  Uzzia, den zoon van Zacharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja,  den zoon van Mahalaleel, van de kinderen van Perez;[5]
      En Maaseja, de zoon van Baruch, den zoon van Kol–hose, den zoon van  Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zacharja,  den zoon van Siloni.[6]
      Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht  en zestig dappere mannen.[7]
      En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, den  zoon van Joed, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon van  Maaseja, den zoon van Ithiel, den zoon van Jesaja;[8]
      En na hem Gabbai, Sallai; negenhonderd acht en twintig.[9]
      En Joel, de zoon van Zichri, was opziener over hen; en Juda, de zoon van  Senua, was de tweede over de stad.[10]
      Van de priesteren: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin;[11]
      Seraja, de zoon van Hilkia, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok,  den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, was voorganger van Gods  huis;[12]
      En hun broederen, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee  en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja, den  zoon van Amzi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur, den zoon van  Malchia;[13]
      En zijn broederen, hoofden der vaderen, waren tweehonderd twee en veertig.  En Amassai, de zoon van Azareel, den zoon van Achzai, den zoon van  Mesillemoth, den zoon van Immer;[14]
      En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en  opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.[15]
      En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam,  den zoon van Hasabja, den zoon van Buni.[16]
      En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden der Levieten, waren over het  buitenwerk van het huis Gods.[17]
      En Matthanja, de zoon van Micha, den zoon van Zabdi, den zoon van Asaf,  was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was  de tweede van zijn broederen; en Abda, de zoon van Sammua, den zoon van  Galal, den zoon van Jeduthun.[18]
      Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig.[19]
      En de poortiers: Akkub, Talmon, met hun broederen, die wacht hielden in  de poorten, waren honderd twee en zeventig.[20]
    ¶  Het overige nu van Israel, van de priesters en de Levieten, was in alle  steden van Juda, een iegelijk in zijn erfdeel.[21]
      En de Nethinim woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de Nethinim.[22]
      En der Levieten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den  zoon van Hasabja, den zoon van Matthanja, den zoon van Micha; van de  kinderen van Asaf waren de zangers tegenover het werk van Gods huis.[23]
      Want er was een gebod des konings van hen, te weten, een zeker onderhoud  voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag.[24]
      En Petahja, de zoon van Mesezabeel, van de kinderen van Zerah, den zoon  van Juda, was aan des konings hand, in alle zaken tot het volk.[25]
      In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van  Juda, in Kirjath–arba en haar onderhorige plaatsen, en in Dibon en haar  onderhorige plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen;[26]
      En te Jesua, en te Molada, en te Beth–pelet,[27]
      En te Hazar–sual, en in Ber–seba, en haar o
    53 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 12
    Bijbeltekst: [1]
    ¶  Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, den zoon  van Sealthiel, en Jesua, optogen: Seraja, Jeremia, Ezra,[2]
      Amarja, Malluch, Hattus,[3]
      Sechanja, Rehum, Meremoth,[4]
      Iddo, Ginnethoi, Abia,[5]
      Mijamin, Maadja, Bilga,[6]
      Semaja, en Jojarib, Jedaja,[7]
      Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden der priesteren, en hun  broederen, in de dagen van Jesua.[8]
      En de Levieten waren: Jesua, Binnui, Kadmiel, Serebja, Juda, Matthanja;  hij en zijn broederen waren over de dankzeggingen.[9]
      En Bakbukja, en Unni, hun broederen, waren tegen hen over in de wachten.[10]
      Jesua nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Eljasib gewon Jojada,[11]
      En Jojada gewon Jonathan, en Jonathan gewon Jaddua.[12]
      En in de dagen van Jojakim waren priesters, hoofden der vaderen: van  Seraja was Meraja; van Jeremia, Hananja;[13]
      Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan;[14]
      Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef;[15]
      Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;[16]
      Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam;[17]
      Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai;[18]
      Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan;[19]
      En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;[20]
      Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber;[21]
      Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.[22]
      Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en  Jaddua, de hoofden der vaderen beschreven; mitsgaders de priesteren,  tot het koninkrijk van Darius, den Perziaan.[23]
      De kinderen van Levi, de hoofden der vaderen, werden beschreven in het  boek der kronieken, tot de dagen van Johanan, den zoon van Eljasib, toe.[24]
      De hoofden dan der Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon  van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen en te  danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht.[25]
      Matthanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortiers,  de wacht waarnemende bij de schatkamers der poorten.[26]
      Dezen waren in de dagen van Jojakim, den zoon van Jesua, den zoon van  Jozadak, en in de dagen van Nehemia, den landvoogd, en van den priester  Ezra, den schriftgeleerde.[27]
    ¶  In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al  hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen  met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en  met harpen.[28]
      Alzo werden de kinderen der zangers verzameld, zo uit het vlakke veld  rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten;[29]
      En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth; want  de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.[30]
      En de priesters en de Levieten reinigden zichzelven; daarna reinigden  zij het volk, en de poorten, en den muur.[31]
      Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op den muur; en ik stelde twee  grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op den muur, naar de  Mistpoort toe.[32]
      En achter hen ging Hosaja, en de helft der vorsten van Juda.[33]
      En Azarja, Ezra, en Mesullam,[34]
      Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;[35]
      En van de priesters kinderen met trompetten: Zacharja, de zoon van  Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Matthanja, den zoon van  Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;[36]
      En zijn broeders, Semaja, en Azareel, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneel,  en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, den man Gods; en  Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen.[37]
      Voorts naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de  trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids huis,  tot aan de Waterpoort, tegen het oosten.[38]
      Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik achter hetzelve, met de  helft des volks, op den muur, van boven den Bakoventoren, tot aan den  breden muur;[39]
      En van boven de poort van Efrai
    52 min
  • Ds. C.G. Vreugdenhil - Nehemia 13 : 1 - 9
    Bijbeltekst: [1]
    Te dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren des  volks; en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten  niet zouden komen in de gemeente Gods, tot in eeuwigheid;[2]
      Omdat zij den kinderen Israels niet waren tegengekomen met brood en met  water, ja, Bileam tegen hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel  onze God den vloek omkeerde in een zegen.[3]
      Zo geschiedde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling  van Israel afscheidden.[4]
      Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes  Gods, was voor dezen nabestaande van Tobia geworden.[5]
      En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden  het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van  most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en  de poortiers, mitsgaders het hefoffer der priesteren.[6]
      Doch in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste  jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot den koning; maar  ten einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning.[7]
      En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor  Tobia gedaan had, makende hem een kamer in de voorhoven van Gods huis.[8]
      En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten,  uit de kamer.[9]
      Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden de kameren; en ik bracht daar weder  in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook.
    52 min

About PrekenWeb.nl

From the publisher's feed

Preken uit de Gereformeerde Gemeenten

Best of PrekenWeb.nl

Ranked by our users in the last 21 days

More shows like PrekenWeb.nl

Boekestijn en De Wijk by BNR Nieuwsradio

Boekestijn en De Wijk

166 Listeners

De Jortcast by NPO Luister / AVROTROS

De Jortcast

79 Listeners

Eerst dit by NPO Luister / EO

Eerst dit

38 Listeners

De Ongelooflijke Podcast by NPO Luister / EO

De Ongelooflijke Podcast

108 Listeners

Amerika in 15 minuten by Raymond Mens

Amerika in 15 minuten

73 Listeners

Een preek voor elke dag by Geloofstoerusting

Een preek voor elke dag

28 Listeners

Preken ds. J. IJsselstein (GG Woerden, Kapelle, Kampen) by Leespreken

Preken ds. J. IJsselstein (GG Woerden, Kapelle, Kampen)

0 Listeners

Dick en Daniël Geloven het Wel by Nederlands Dagblad

Dick en Daniël Geloven het Wel

22 Listeners

De Spindoctors by NPO Luister / EO

De Spindoctors

22 Listeners

Vorming voor elke dag by Ds. A.S. Middelkoop

Vorming voor elke dag

1 Listeners

Veldheren by Peter van Uhm, Mart de Kruif, Jos de Groot / Corti Media

Veldheren

33 Listeners

Over Leven by NPO Luister / HUMAN

Over Leven

4 Listeners

Timotheüs thema by danielonline.nu/timotheus

Timotheüs thema

0 Listeners

Sprekend RD by Reformatorisch dagblad

Sprekend RD

2 Listeners

Argos Series by NPO Luister / Argos / VPRO / HUMAN

Argos Series

10 Listeners